NGV-Geonieuws 157 artikel 1007

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Februari 2009, jaargang 11 nr. 2 artikel 1007

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 157! Op de huidige pagina is alleen artikel 1007 te lezen.

<< Vorig artikel: 1006 | Volgend artikel: 1008 >>

1007 Ediacara en het begin van grootheid
Auteur: drs. Marvin Overbeeke

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Dateringen ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Voor een onvoorstelbare periode waren er alleen maar eencelligen die de oceanen bevolkten. Opeens waren daar, in de Ediacara periode, organismen die wij met ons blote oog zouden hebben kunnen zien als we in die tijd hadden geleefd. Deze organismen zien er zo vreemd uit dat er, sinds hun eerste ontdekking, een heftige discussie gaande is waartoe ze behoren. Er zijn er die lijken op een blad op een stok, dus zijn het planten? Anderen lijken een voorkant met kop te hebben, dus zijn het dieren, of is het zelfs iets compleet nieuws en vertegenwoordigen deze organismen een nieuw, maar uitgestorven koninkrijk? Of is zelfs dat nog onzeker en is er nog te weinig kennis over deze organismen?


De groepen van de Ediacara biota in de tijd, onderverdeeld in drie assemblages.


635 Miljoen jaar geleden begon de Ediacara Periode (vroeger Vendiaan genoemd), die 541 miljoen jaar geleden overging in het Cambrium. Vele diergroepen die we nu kennen zijn ontstaan tijdens het Cambrium in de zogeheten cambrische explosie. Dit leken voor lange tijd de eerste meercelligen totdat in Zuid-AustraliŽ in de buurt van het plaatsje Ediacara vreemde meercellige fossielen opdoken. Deze fossielen bleken ouder te zijn dan het Cambrium. De periode werd vernoemd naar het plaatsje en zelfs de fauna werd aangeduid als de Ediacara biota. Later werden er op vele plekken over de hele wereld soortgelijke fossielen gevonden met eenzelfde ouderdom. Het grootste gedeelte wordt gevonden in sedimenten tussen de 575 en 541 miljoen jaar oud.

De meeste fossielen worden ondergebracht in het uitgestorven koninkrijk Vendobionta (organismen uit het Vendiaan), maar een aantal worden ook ondergebracht in het koninkrijk der dieren en zijn mogelijk voorouders van de dieren uit het Cambrium. Er zijn echter zelfs fossielen waarvan niet eens duidelijk is in welk koninkrijk ze horen.
De Ediacara organismen zijn onderverdeeld in een aantal groepen waarvan er een aantal nooit meer vertoond zijn en ook een vrij beperkte 'levensduur' hadden. In zeer goed bewaarde faunaís uit het Cambrium zoals de Burgess Shale zijn nauwelijks nog organismen uit het Ediacara gevonden wat er op duidt dat ze toen waarschijnlijk al zo goed als uitgestorven waren. Wereldwijd zijn er tot nu toe ook maar zoín 100 soorten ontdekt in zoín 40 lokaliteiten, dus een hele hoge diversiteit lijken ze niet gehad te hebben.

De vormen die gevonden zijn lijken niet zoveel op elkaar en dus is het lastig om ze in genera, families, en dergelijke te groeperen. Verwoede pogingen zijn gedaan om de organismen in hedendaagse groepen onder te brengen, maar veel pogingen zijn ook al snel verworpen. Dicksonia is een voorbeeld hoe lastig de determinatie van deze organismen is. Het is al onderverdeeld geweest in de Cnidaria (neteldieren), Polychaeta (annelide wormen), Vendobionta en zelfs in Lichens (korstmossen).

Het huidige idee is dat in de gehele fauna mogelijk kolonies van microben, algen of protisten zitten, maar waarschijnlijk ook vertegenwoordigers van de Animalia, ofwel de dieren. Kimberella is bijvoorbeeld een vrij duidelijk bilateraal (tweezijdig symmetrisch) fossiel met anterior-posterior (voor-achter) en dorsaal-ventraal (rug-buik) symmetrie en kan dus in de Animalia geplaatst worden. Een ander dier Yorgia is gevonden met sporen die door dat diertje gemaakt zijn en die er dus op wijzen dat het dier zich voortbewoog. Er zijn ook graafgangen ontdekt die wijzen op bilaterale dieren.
De meeste Ediacara organismen waren niet in staat zich voort te bewegen en hadden duidelijk geen mond om zich te voeden. Ze zijn gevonden in en naast microbenmatten, die voor de voedingsstoffen zorgden. Het meeste speelde zich af op, vlak onder, of net boven de sediment-water scheiding. De meerderheid voedde zich door uit het water hun voedingstoffen te filtreren via osmose en filtreren. Er waren niet tot nauwelijks predatoren.

De evolutie in de Ediacara lijkt vrij snel te beginnen en al vlug waren de ecologische niches (de 'leefruimte' van een soort) gevuld. Weinig niches zijn later verder ingevuld en dit alles lijkt overeen te komen met de evolutie in het begin van de volgende periode, het Cambrium. Al met al zijn er dus nog een heleboel onduidelijkheden die met meer onderzoek, vindplaatsen en ontdekkingen mogelijk opgelost kunnen worden. Dit is allemaal van groot belang om het begin van het meercellige leven te kunnen begrijpen.

Referenties:
  • Shuhai Xiao & Marc Laflamme, 2009. On the eve of animal radiation, pylogeny, ecology and evoluion of the Ediacara biota. Trends in Ecology and Evolution, Vol.24, Issue 1, 31-40, Januari 2009 (online versie).

De afbeelding komt uit bovenstaand artikel.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl