NGV-Geonieuws 167 artikel 1025

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Mei 2010, jaargang 12 nr. 2 artikel 1025

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 167! Op de huidige pagina is alleen artikel 1025 te lezen.

<< Vorig artikel: 1024 | Volgend artikel: 1026 >>

1025 Aard van raadselachtig Cambrisch fossiel ontrafeld
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De fameuze Burgess Shale (in de Canadese Rocky Mountains) heeft in de loop der tijd talrijke bijzondere fossielen opgeleverd, vaak met bewaard gebleven (afdrukken van) weke delen. Dat heeft sterk bijgedragen aan het inzicht in de evolutie van het leven zoals dat plaatsvond na de zogeheten ‘cambrische explosie’, de plotselinge ontwikkeling van gecompliceerde levensvormen na de grens tussen Precambrium en Cambrium. Niet in alle gevallen bleek het echter mogelijk om, op basis van de verzamelde exemplaren, vast te stellen om wat voor diergroepen het ging. Een van de ‘problematica’ betrof een fossiel waaraan de naam Nectocaris pteryx werd gegeven. Het enige exemplaar dat eerder onderzocht was, bevatte genoeg details om vast te stellen dat het om een vleeseter ging, maar tot welke diergroep dit fossiel moest worden gerekend, was nog onduidelijk toen dit exemplaar in 1976 werd beschreven.


Bovenaanzicht van Nectocaris pteryx
(foto Jean-Bernard Caron).


Tweede exemplaar, waarbij de sporen van
het uitprepareren goed zichtbaar zijn
(foto Jean-Bernard Caron).


De aard van Nectocaris is nu opnieuw onderzocht, waarbij gebruik is gemaakt van 91 nieuwe exemplaren die in de afgelopen 30 jaar zijn verzameld. De exemplaren zijn allemaal 2-5 cm lang; ze hebben de vorm van een vlieger dankzij twee grote ‘vleugels’ die een goede zwemcapaciteit moeten hebben gegeven, en ze hebben een paar lange tentakels die ze waarschijnlijk gebruikten om hun prooi te grijpen. Verder hebben ze van achteren een soort trechtervormige buis die ze mogelijk, net als de huidige inktvissen, als een soort straalmotor konden gebruiken.


Zijaanzicht van (het door druk samengeperste) fossiel
(foto Martin Smith).


Reconstructie van Nectocaris pteryx
(© Marianne Collins)


Alle gegevens wijzen erop dat het om een dier gaat dat als een primitieve cephalopode moet worden beschouwd. Opmerkelijk daarbij is dat er geen sprake is van een uitwendige schaal (zoals bij ammonieten) of een inwendige schaal (zoals bij de huidige inktvissen). Niet alleen blijken de cephalopoden nu als diergroep 30 miljoen jaar ouder dan eerder werd aangenomen (verondersteld werd dat ze pas in het Laat-Cambrium tot ontwikkeling kwamen), maar ook blijkt hun ontwikkeling anders te zijn verlopen dan eerder werd gedacht: eerder werd aangenomen dat de oudste cephalopoden kruipende, slakachtige dieren waren waarvan geleidelijke veranderingen in de schaal leidden tot de mogelijkheid om in het water te drijven. Nu blijkt dat ze al konden zwemmen zonder behulp van met lucht/gas gevulde kamers van een schelp; de schelpen ontstonden pas later, mogelijk als bescherming tegen het groeiende aantal belagers.


The Burgess Shale (bij Burgess Pass), de beroemde formatie
waaruit veel bijzondere fossielen zijn verzameld
(foto Jean-Bernard Caron).

Referenties:
  • Smith, M.R. & Caron, J.B., 2010. Primitive soft-bodied cephalopods from the Cambrian. Nature 465, p. 469-472.
  • Bengtson, S., 2010. A little Kraken wakes. Nature 465, p. 427-428.

Figuren welwillend ter beschikking gesteld door Martin Smith en Lauren Schneider (Department of Natural History, Royal Ontario Museum, Toronto, Ont., Canada).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl