NGV-Geonieuws 169 artikel 1036

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Juli 2010, jaargang 12 nr. 4 artikel 1036

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 169! Op de huidige pagina is alleen artikel 1036 te lezen.

<< Vorig artikel: 1035 | Volgend artikel: 1037 >>

1036 Koude Jonge Dryas was geen gevolg van meteorietinslag
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Zo’n 12.900 jaar geleden, bijna aan het eind van de laatste ijstijd, werd het klimaat plotseling veel kouder. Het was ook de tijd waarin de mammoeten van bijna overal op aarde verdwenen, waarin diverse Indiaanse culturen in Noord-Amerika ophielden te bestaan, en van nog andere grote veranderingen. De oorzaak van deze koude fase, de Jonge Dryas, heeft tot talrijke speculaties en hypotheses geleid. Een daarvan was de inslag van een komeet of meteoriet (zie Geonieuws 874), hetgeen onder meer werd afgeleid uit het voorkomen van koolstofrijke bolletjes en kanodiamantjes in lagen uit die tijd. Dergelijke bolletjes kunnen namelijk ontstaan bij uitgestrekte bosbranden (zoals die kunnen voorkomen na een inslag) en de zeer kleine diamantjes kunnen ontstaan bij een zeer hoge temperatuur, ook zoals die bij een inslag optreedt.


Doorsnede door een bolletje gevonden
in de Arlington Canyon, California.

Opvallend genoeg was er tot nu toe geen onderzoek gedaan (althans geen onderzoek waarover in de literatuur werd gepubliceerd) aan de koolstofrijke bolletjes. Dat is nu wel gebeurd, en het blijkt uit dit onderzoek dat deze bolletjes, die vrijwel allemaal een halve tot twee millimeter groot zijn, op veel eenvoudiger wijze zijn ontstaan: het gaat om de gefossiliseerde balletjes van schimmels, om houtskool en om uitwerpselen. Ook blijkt dat deze bolletjes niet allemaal op één moment zijn gevormd, maar gedurende een periode van duizenden jaren (van 16.821 tot 11.457 jaar geleden) die allang voor de aanvang van de Jonge Dryas begon, en ook daarna nog doorging. Dat is niet te verenigen met een ontstaanswijze die samenhangt met een inslag.

De conclusies over de aard van de bolletjes werden getrokken na bestudering met geavanceerde apparatuur waarmee het inwendige van de bolletjes kon worden geanalyseerd. Daarbij bleek dat veel bolletjes een inwendige opbouw hebben die gelijk is aan die van sommige schimmels (zoals Sclerotium en Cenococcum). Veel schimmels uit de bodem en plantenschimmels vormen dergelijke bolletjes om perioden te overleven waarin de condities ongunstig zijn. Andere bolletjes bleken uitwerpselen van arthropoden (waarschijnlijk termieten) en insecten, galnootjes of stukjes houtskool.


Onderzoeksleider Andrew Scott.

Het onderzoek van de houtskoolfragmenten was ook interessant: onder meer werd gemeten hoeveel licht het materiaal reflecteerde. Daaruit kan namelijk worden afgeleid aan welke temperaturen het materiaal blootgesteld is geweest. Uit de metingen bleek dat die temperatuur waarschijnlijk niet boven de 450 °C is uitgekomen, veel te laag om een grote bosbrand aannemelijk te maken.

Referenties:
  • Scott, A.C., Pinter, N., Collinson, M.E., Hardiman, M., Anderson, R.S., Brain, A.P.R., Smith, S.Y., Marone, F. & Stampanoni, M., 2010. Fungus, not comet or catastrophe, accounts for carbonaceous spherules in the Younger Dryas ‘impact layer’. Geophysical Research Letters (in druk).

Foto van bolletje ter beschikking gesteld door Simon Doyle, Royal Holloway, University of London, Londen (Groot-Brittannië).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl