NGV-Geonieuws 171 artikel 1075

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


September 2010, jaargang 12 nr. 6 artikel 1075

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 171! Op de huidige pagina is alleen artikel 1075 te lezen.

<< Vorig artikel: 1074 | Volgend artikel: 1076 >>

1075 Zonnestelsel is fractie ouder
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Bijna alle ‘absolute’ ouderdomsbepalingen zijn gebaseerd op het natuurlijk verval van radioactieve isotopen. In sommige gevallen is de zogeheten halfwaardetijd (dat is de tijd waarin de helft van een bepaald isotoop vervalt; gedurende de daaropvolgende periode van gelijke duur vervalt de helft van de overgebleven helft, enz.) extreem kort - soms maar een fractie van een seconde - maar in andere gevallen is die halfwaardetijd soms extreem lang (miljarden jaren, bijv. bij uranium-238). Dat impliceert dat metingen van de radiometrische ouderdom in sterke mate afhangen van de nauwkeurigheid van de meetapparatuur. En die apparatuur wordt steeds beter, waardoor ook ouderdomsbepalingen steeds nauwkeuriger worden.

Dat geldt ook voor de bepaling van de ouderdom van ons zonnestelsel. Terwijl de ouderdom van de aarde juist iets naar beneden is bijgesteld (zie Geonieuws 1043), blijkt nu ons zonnestelsel juist een fractie ouder dan tot nu toe werd aangenomen. De term ‘fractie’ is uiteraard betrekkelijk: procentueel stelt het bijna niets voor (0,0066-0,0416%!), maar de nu bepaalde ouderdom van 4,5682 miljard jaar is toch nog altijd 0,3-1,9 miljoen jaar hoger dan tot nu toe gedacht. Het gevonden verschil lijkt minimaal, maar is astronomisch gezien zeer interessant omdat de meest belangrijke ontwikkelingen die het zonnestelsel vormden in ruwweg de eerste tien miljoen jaar plaatsvonden.

De ouderdom werd bepaald via de Pb-Pb dateringsmethode, die door onderzoekers van de Arizona State University werd losgelaten op een calcium- en aluminiumrijk insluitsel in een meteoriet (de NWA 2364) die in noordwest Afrika is gevonden. Dit soort insluitsels zijn volgens de huidige opvattingen de eerste vaste stoffen die gedurende de geboorte van ons zonnestelsel zijn ontstaan door condensatie van de steeds verder afkoelende protoplanetaire schijf.


De meteoriet NWA 2364 uit de woestijn van Marokko.


Insluitsel in de meteoriet NWA 2364.


Overigens heeft de nieuwe datering nog enkele consequenties. Zo ziet het ernaar uit dat bepaalde schijnbaar onverenigbare oudere dateringen begrijpelijk worden. Maar het lijkt wel nodig om soortgelijke dateringen met een extreem grote precisie bij een aantal meteorieten uit te voeren, want analyse van insluitsels in twee andere meteorieten (Allende en Efremowka) leverden eerder een geringere ouderdom op. Van belang kan daarbij zijn dat inmiddels is gebleken dat de verhouding tussen de diverse loodisotopen in meteorietinsluitsels niet altijd, zoals eerder werd aangenomen, gelijk is.

Uit de nu gevonden iets grotere ouderdom kan worden opgemaakt dat er in het zeer vroege zonnestelsel tweemaal zoveel van de ijzerisotoop Fe-60 aanwezig was als tot nu toe bekend. Dit kan volgens de onderzoekers alleen worden verklaard door een ‘injectie’ vanuit een supernova. Het optreden van die supernova (mogelijk enkele) zou het ontstaan van ons zonnestelsel in gang kunnen hebben gezet.



Vorming van een protoplaneet uit een protoplanetaire ring.



Onderzoekster Audrey Bouvier aan het werk
(foto Arizona State University).

.

Referenties:
  • Bouvier, A. & Wadhwa, M., 2010. The age of the solar system redefined by the oldest Pb-Pb age of a meteoritic inclusion. Nature Geoscience 3, doi:10.1038/ngeo941.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl