NGV-Geonieuws 9 artikel 108

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Oktober 2000, jaargang 2 nr. 3 artikel 108

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 9! Op de huidige pagina is alleen artikel 108 te lezen.

<< Vorig artikel: 107 | Volgend artikel: 109 >>

108 Chondrules ontstaan onder extreme omstandigheden
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

    Klik hier om dit artikel af te drukken !

De geochemische en petrologische karakteristieken van chondrules wijzen, in combinatie met experimenten, op een aantal ontstaanswijzen, echter steeds onder extreme omstandigheden. Chondrules zijn brokjes materie van minder dan een millimeter in doorsnede, waarmee de aarde voortdurend vanuit de ruimte wordt 'gebombardeerd'. In boorkernen van de diepzeebodem, waar de sedimentatie zeer langzaam gaat, worden chondrules regelmatig gevonden. Het zijn gewoonlijk bolvormige, verglaasde objecten. Er bestaan tal van soorten, maar ze blijken veel eigenschappen gemeen te hebben.


AL RAIS CR2 CHONDRIET DIE CHONDRULES EN MATRIX LAAT ZIEN

Een opvallende karakteristiek is dat de zuurstof in de mineralen waaruit chondrules bestaan, niet gefractioneerd is op basis van de diverse isotopen (wat normaliter gebeurt onder invloed van hun - geringe - massaverschillen). Hieruit wordt afgeleid dat ze in stofwolken in de ruimte moeten zijn ontstaan. Hun typische bolvorm geeft aan dat ze gevormd moeten zijn vanuit een vloeibare massa; door afkoeling ontstond hieruit deels een glazige massa, deels konden zich ook relatief grote kristalletjes met hun karakteristieke kristalvormen ontwikkelen. De opsmelting van het materiaal waaruit ze zijn ontstaan kan echter niet totaal zijn geweest, want de aard van de aanwezige mineralen geeft (experimenteel) aan dat er vaste kernen moeten zijn geweest waaromheen het materiaal begon uit te kristalliseren; ook zijn er in chondrules vaste restanten (relicten) gevonden van ouder vast materiaal.

Dat de afkoeling van de massa waaruit zich chondrules vormden geologisch gezien snel moet zijn verlopen, is aannemelijk op basis van het voorkomen van gezoneerde grote kristallen en anomalieŽn in de isotopenverhoudingen van sommige elementen; de resultaten van dynamische kristallisatie-experimenten zijn hiermee in overeenstemming.

Op basis van het voorkomen van 'pakketjes' chondrules die gezamenlijk worden omgeven door jonger materiaal, wordt - evenals op basis van het voorkomen van een soort ringvorming in bepaalde chondrules - afgeleid dat ze na hun afkoeling veelal ook weer opnieuw zijn verhit. Deze nieuwe fase van verhitting was niet altijd en overal even intensief, maar moet over grote gebieden van het binnenste deel van ons zonnestelsel hebben plaatsgevonden, op zín minst voor gedurende de tijd die nodig waas voor de daar aanwezige gaswolken om af te koelen van ca. 900 K tot minder dan 600 K .Kleine ijzerhoudende chondrules vertonen karakteristieken die aangeven dat ze niet allemaal in gebieden met een hoge temperatuur in de nabijheid van de zon zijn ontstaan. In zulke gevallen moeten andere mechanismen te hulp worden geroepen om hun ontstaan te verklaren. Daarbij wordt gedacht aan ontladingen ('bliksem') tussen de diverse gaswolken, maar ook aan andere processen zoals dynamische schokgolven door de gassen, en verhitting onder invloed van sterke straling.

Referenties:
  • Rubin, A.E., 2000. Petrologic, geochemical and experimental constraints on models of chondrule formation. Earth-Science Reviews 50, p. 3-27

Afbeelding uit: http://research.amnh.org/earthplan/research/chondrul.html


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl