NGV-Geonieuws 171 artikel 1080

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


September 2010, jaargang 12 nr. 6 artikel 1080

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 171! Op de huidige pagina is alleen artikel 1080 te lezen.

<< Vorig artikel: 1079 | Volgend artikel: 1081 >>

1080 Hyena-achtig dier werd kleiner tijdens wereldwijde opwarming
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Misschien was het toeval, misschien ook niet. Maar een hyena-achtig zoogdier evolueerde, gedurende een 200.000 jaar durende opwarming van de aarde, zodanig dat het ongeveer de helft kleiner werd dan zijn voorouders. Toen de temperatuur weer afnam, nam de grootte van zijn nakomelingen weer toe. Dit gebeurde zon 55 miljoen jaar geleden, toen zich omstreeks de overgang van het Paleoceen naar het Eoceen de temperatuur op aarde steeg, mogelijk door het vrijkomen van grote hoeveelheden methaangas (zie Geonieuws 347) of vulkanisme (zie Geonieuws 525 en 839). Gedurende dit zogeheten Paleocene/Eocene Thermisch Maximum (PETM) steeg de temperatuur op aarde met ongeveer 8-9 C. Daarna nam de temperatuur weer geleidelijk af.

Voor het begin van het PETM leefden er hyena-achtige dieren die behoorden tot het geslacht Palaeonictis. Zij hadden de grootte van een beer. Gedurende de opwarming werden deze dieren steeds kleiner, en tijdens het PETM leefde er een soort (P. wingi) die, zoals blijkt uit nieuw gevonden materiaal, nog maar de grootte had van een hond. Het nieuw gevonden materiaal bestaat uit een vrijwel complete onderkaak die in 2006 werd gevonden in het Big Horn Bekken van de Amerikaanse staat Wyoming.

Al eerder was bekend dat individuen van het geslacht Palaeonictis na het PETM weer in grootte toenamen. Dat lijkt niet helemaal toevallig. Weliswaar is er betrekkelijk weinig fossiel studiemateriaal voorhanden (op continenten is fossilisatie nu eenmaal een grote uitzondering; gelukkig zijn botten behoorlijk resistent), maar er zijn meer plantenetende zoogdieren bekend die tijdens de aanloop naar het PETM kleiner werden en naderhand weer groter. Dat lijkt erop te wijzen dat er een verband bestaat tussen lichaamsgrootte en temperatuur van de leefomgeving; zon verband lijkt ook recent te bestaan, want bijv. de bruine beren in het midden van de Verenigde Staten zijn kleiner dan hun soortgenoten in het veel koudere Alaska.

Wat dat verband is, is onbekend. Een verhoogde temperatuur gaat gewoonlijk gepaard met een hoger gehalte aan CO2 (al is, in tegenstelling tot wat media gewoonlijk rapporteren, nog steeds wetenschappelijk niet duidelijk wat oorzaak en wat gevolg is), maar waarom de grootte van dieren zou moeten afnemen met een toenemende CO2 -concentratie is volstrekt onduidelijk. Hogere temperaturen gaan vaak ook gepaard met een droger klimaat, maar dat lijkt evenmin een reden om de lichaamsgrootte te verminderen: integendeel: een kleiner lichaam leidt tot een relatief hoge verhouding tussen huidoppervlak en lichaamsinhoud, en daarom tot relatief veel vochtverlies door transpiratie.



De onderkaak van Palaeonictus wingi.


Onderzoekers Stephen Chester (links)
en Jon Bloch met de fossiele kaak.


Referenties:
  • Chester, S.G.B., Bloch, J.I., Secord, R. & Boyer, D.M., 2010. A new small-bodied species of Palaeonictis (Creodonta, Oxyaenidae) from the Paleocene-Eocene Thermal Maximum. Journal of Mammalian Evolution, doi:10.1007/s10914-010-9141-y.

Fotos (Jennifer Duerden): Universiteit van Florida, Gainesville, FL (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl