NGV-Geonieuws 171 artikel 1084

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


September 2010, jaargang 12 nr. 6 artikel 1084

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 171! Op de huidige pagina is alleen artikel 1084 te lezen.

<< Vorig artikel: 1083 | Volgend artikel: 1085 >>

1084 De Jonge Dryas: koud in het noorden, warm in het zuiden
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

In de eindfase van de laatste ijstijd, omstreeks 13.000 jaar geleden, werd de klimaatverbetering in Europa plotseling afgebroken door een nieuwe koude fase (Jonge Dryas) die meer dan 1000 jaar zou duren. De temperatuur daalde met vele graden, locaal wel 15 0C, en de zich terugtrekkende ijskappen breidden zich weer snel uit. In de afgelopen 20 jaar werden echter aanwijzingen gevonden dat de temperatuur op het zuidelijk halfrond gedurende die periode steeg. Dat gold bijvoorbeeld voor Antarctica, maar ook voor Nieuw-Zeeland en AustraliŽ. Of er werkelijk sprake was van zulke sterk uiteenlopende klimaatveranderingen op het noordelijk en het zuidelijk halfrond bleef echter lang tamelijk onzeker bij gebrek aan harde gegevens.

Het sterkste bewijs wordt geleverd door de analyse van luchtbelletjes die in het ijs van Antarctica werden opgesloten. De samenstelling (in het bijzonder de CO2-concentratie) zou aantonen dat de temperatuurstijging op het zuidelijk halfrond min of samenviel met een toename van de CO2-concentratie in de atmosfeer. Dat er inderdaad een duidelijke temperatuurstijging op het zuidelijk halfrond plaatsvond gedurende de Jonge Dryas, blijkt nu uit onderzoek van het Irishman Bekken op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland.


Een van de glaciale dalen van Nieuw Zeeland waaruit
een gletsjer zich terugtrok tijdens de Jonge Dryas
(foto GD).

In het bekken werd de terugtrekking van de daar destijds aanwezige gletsjer gereconstrueerd. Wanneer een gletsjer zich terugtrekt, laat hij zwerfstenen, puin en fijn materiaal achter, deels als een keileemdek, deels in de vorm van morenes. Eindmorenes geven fases aan waarin de gletsjer min of meer stabiel was. Door die eindmorenes te dateren kan, omdat de afstanden tussen de morenes bekend zijn, worden vastgesteld hoe snel de ijskap of gletsjer zich terugtrok. Datering van morenes is lang moeilijk en onnauwkeurig geweest, maar een nieuwe methode is veel nauwkeuriger. Die is gebaseerd op de tijd dat morenemateriaal aan het aardoppervlak heeft gelegen, en daar door kosmische straling is bereikt, waarbij het isotoop beryllium-10 in kwartskristallen ontstaat. Uit de analyse bleek dat de morenes 13.700 tot 11.100 jaar geleden voor het eerst na hun verblijf in of onder de ijskap aan kosmische werden blootgesteld, afhankelijk van hun positie. Hierbij kon de snelheid worden berekend waarmee het ijs zich terugtrok (de omvang van de ijsmassa werd ongeveer gehalveerd), en daaruit kon de temperatuurstijging in Nieuw Zeeland gedurende de Jonge Dryas worden ingeschat; die bedroeg ongeveer 1 0C.


Grote zwerfsteen die in het Irishman Bekken werd
achtergelaten door een zich terugtrekkende gletsjer
(foto MK).

Omdat het niet gaat om een wereldwijde temperatuurstijging, kan die niet aan een toename van atmosferisch koolzuurgas worden toegeschreven. In de atmosfeer treedt nu immers zo snel vermenging van luchtlagen op dat dat overal tot vrijwel gelijke concentraties CO2 leidt, en dus ook tot vergelijkbare temperatuurstijgingen. De onderzoekers noemen daarom twee andere mogelijke verklaringen, zonder overigens duidelijk te maken welke zij zelf het meest waarschijnlijk vinden.


Gesteentemonsters uit het Irishman Bekken leverden
uiterst nauwkeurige dateringen op
(foto MK).

De eerste verklaring is dat het afsmelten van grote hoeveelheden ijs op het zuidelijk halfrond leidde tot de toevoer van enorme massaís zoet (en dus relatief licht) water in de oceanen. Daardoor zou de Warme Golfstroom zijn afgezwakt (wat op zichzelf al minder warmtetransport naar hoge breedtes op het noordelijk halfrond betekent), en daardoor zouden zowel de atmosferische als de oceanische circulatiepatronen zijn veranderd: warme lucht en warm zeewater zouden vooral naar het zuiden zijn afgevoerd, en tegelijk zou op het zuidelijk halfrond CO2-rijk dieptewater omhoog zijn gekomen; het meegevoerde CO2 zou deels aan de atmosfeer zijn afgestaan, waardoor de opwarming op het zuidelijk halfrond nog sneller plaatsvond. De tweede mogelijke verklaring heeft dezelfde basis maar is eenvoudiger: de afgezwakte Warme Golfstroom zou alleen het oceanisch circulatiepatroon hebben veranderd waardoor het warme water uit de gebieden rond de evenaar vooral naar het zuidelijk halfrond werd getransporteerd.

Referenties:
  • Kaplan, M.R., Schaefer, J.M., Denton, G., Barrell, D.J.A., Chin, T.J.A., Putnam, A., Andersen, B.G., Finkel, R.C., Schwartz, R. & Doughty, A.M., 2010. Glacier retreat in New Zealand during the Younger Dryas stadial. Nature 467, p. 194-197.

Fotoís: George Denton (GD), University of Maine, Orono, ME; and Mike Kaplan (MK), Lamont Doherty Earth Observatory, Columbia University, Pallisades, NY (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl