NGV-Geonieuws 173 artikel 1100

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


November 2010, jaargang 12 nr. 8 artikel 1100

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 173! Op de huidige pagina is alleen artikel 1100 te lezen.

<< Vorig artikel: 1099 | Volgend artikel: 1101 >>

1100 Ondergang Neanderthalers mogelijk te wijten aan grootschalig vulkanisme
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Archeologie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Ongeveer 40.000 jaar geleden stierven de Neanderthalers uit (Homo sapiens neanderthalensis), en werd hun voordien dominante positie in Europa en AziŽ overgenomen door de moderne mens (Homo sapiens sapiens). Dat gebeurde in korte tijd, en er zijn tal van hypotheses over opgesteld (zie Geonieuws 822), maar een goede, algemeen aanvaarde verklaring is daarvoor nooit gegeven. De Neanderthalers waren goed ontwikkeld en hadden waarschijnlijk al een soort taal. Ze konden steen en andere voorwerpen zoals de geweien van rendieren en herten vakkundig bewerken, en ze hadden oog voor kunstvoorwerpen, zoals onder meer uit de vondst van sieraden blijkt. Toen ze uitstierven was de moderne mens ook in Europa en AziŽ (en uiteraard Afrika) aanwezig, maar waarschijnlijk mengden beide soorten mensen zich niet of nauwelijks (zie Geonieuws 819). Ze leefden kennelijk vrijwel geheel gescheiden van elkaar: de moderne mens was vooral aanwezig in Afrika en het zuiden van EuraziŽ, terwijl de Neanderthalers vooral meer noordelijk woonden.


De technische vaardigheid van de
Neanderthalers blijkt uit deze naaldenkoker.

Er zijn nu aanwijzingen gevonden voor gebeurtenissen die mogelijk verband houden met het uitsterven van de Neanderthalers. De gebeurtenissen waarom het gaat betreffen grootschalige vulkanische activiteiten. In zowel AziŽ als Europa vonden omstreeks 40.000 jaar geleden vulkanische aktiviteiten op zoín grote schaal plaats als nog niet eerder tijdens de geschiedenis van de Neanderthalers. Volgens de onderzoekers verwoestte dit vulkanisme de ecologie van de gebieden waarin vooral Neanderthalers woonden. Dat leidde binnen geologisch zeer korte tijd tot een zodanig gebrek aan voedsel dat ze ten onder gingen. De grootste uitbarstingen van 40.000 jaar geleden vonden plaats in ItaliŽ (de super-eruptie van ignimbriet in CampaniŽ); in de Kaukasus waren de uitbarstingen geringer. De moderne mens, die vooral in Afrika en zuidwestelijk Europa woonde, werd - vanwege de afstand tussen zijn woongebieden en de centra van de vulkanische activiteit - relatief weinig getroffen, en profiteerde juist van het wegvallen van de Neanderthalers. Waarschijnlijk stelden bovendien zowel hun sociale structuur als hun meer geavanceerde jachttechniek hen beter in staat om de veranderende omstandigheden het hoofd te bieden.


De Mezmaiskaya-grot waarin
de opgraving werd verricht.


Het bovenste deel van de
opgraving in de grot.



Het verzamelen van monsters
gebeurde zeer precies, waarbij
een ruimtelijk netwerk van
lijnen zorgde voor precieze
locatiemogelijkheden bij bemonstering.


Een haard (stookplaats) uit
laag 1C.


Aanwijzingen voor vulkanisme en het uitsterven van de Neanderthalers zijn in de Kaukasus gevonden, in de Mezmaiskaya-grot, in het zuiden van Rusland. De grot is rijk aan botten en artefacten van Neanderthalers, en bij recente opgravingen in de grot zijn twee aslagen aangetroffen die dateren uit de tijd van het eerder genoemde grootschalige vulkanisme. De lagen waarin de as is ingebed, geven aanwijzingen voor een abrupte, waarschijnlijk catastrofale verandering van het klimaat: ze bevatten bijvoorbeeld veel minder stuifmeel dan de onder- en bovenliggende lagen, wat zou wijzen op een plotselinge temperatuurdaling en op een veel droger wordend klimaat. Uit het stuifmeel kan worden afgeleid dat de uitbarstingen een soort vulkanische winter veroorzaakten, doordat kleine asdeeltjes in de atmosfeer jarenlang zoveel zonlicht absorbeerden dat de temperatuur op aarde genoeg daalde om de ecosystemen zodanig te ontregelen dat bijvoorbeeld prooidieren er niet langer konden leven. De bovenste aslaag lijkt het eind van de Neanderthalers te markeren: eronder komen botten en werktuigen in overvloed voor, maar erboven niet meer. Dat is een sterke aanwijzing voor het verband tussen hun uitsterven en het vulkanisme, maar uiteraard nog geen bewijs; daarvoor zal een zelfde situatie op meer plaatsen moeten worden aangetoond.


De opgraving op het niveau
van het Midden-Paleolithicum.


De opgegraven grond wordt uitgezeefd
in een stroompje.



Het uitgewassen materiaal wordt
op archeologische vondsten onderzocht.


Vuistbijl uit het Mousterien.


Referenties:
  • Golovanova, L.V., Doronichev, V.B., Cleghorn, N.E., Koulova, M.A., Sapelko, T.V. & Shackley, M.S., 2010. Significance of ecological factors in the Middle to Upper Paleolithic transition. Current Anthropology 51, p. 655-691.

Fotoís welwillend ter beschikking gesteld door Liubov Golovanova, ANO Laboratory of Prehistory, St. Peterburg (Rusland).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl