NGV-Geonieuws 174 artikel 1111

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


December 2010, jaargang 12 nr. 9 artikel 1111

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 174! Op de huidige pagina is alleen artikel 1111 te lezen.

<< Vorig artikel: 1110 | Volgend artikel: 1112 >>

1111 Leven met vulkanen, ook in Nederland
Auteur: dr. M. van Bergen, RU-Utrecht

Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Wereldwijd leven zo’n 500 miljoen mensen zo dicht in de buurt van vulkanen dat ze de gevaren aan den lijve kunnen ondervinden. Daar horen we in Nederland niet bij, maar de IJslandse aswolk heeft duidelijk gemaakt dat een vulkaanuitbarsting zelfs hier tot ernstige gevolgen kan leiden. Na het stilleggen van het vliegverkeer in grote delen van Europa barstten heftige discussies los over nut en noodzaak van de maatregel. De economische belangen waren immers groot, net als de problemen van de duizenden gestrande reizigers. Waarom mocht er niet gevlogen worden? Hoe lang zou het gaan duren? Was het vliegverbod wel nodig? En wiens schuld was het allemaal? Verschillende spelers werden direct met een nieuw fenomeen geconfronteerd: het Volcanic Ash Advisory Centre (VAAC) in Londen, meteorologische diensten, luchtverkeersleidingen, de Europese luchtvaartautoriteit, Europese ministers van verkeer, vliegmaatschappijen en vliegtuigbouwers. Ondanks alle kennis en technologische verworvenheden kwam een schrikbarende onvoorbereidheid aan het licht.


De pluim van de Eyjafjallajokull
op 19 april 2010 ( Bron:ESA)

Voor aardwetenschappers kwam de gebeurtenis niet echt als een verrassing. De aard, frequentie, reikwijdte en effecten van uitbarstingen op IJsland zijn immers bekend. In de bodem van noord-west Europa zitten allerlei aslaagjes afkomstig van IJslandse vulkanen, en de ernstige gevolgen van de uitbarsting van de Laki in 1783-84 zijn uitgebreid gedocumenteerd aan de hand van historisch, vulkanologisch en meteorologisch onderzoek. Daardoor weten we dat IJslandse erupties nog veel heftiger en langduriger kunnen zijn dan die van de Eyjafjallajökull. Bovendien kunnen ze risico’s inhouden voor de volksgezondheid en de landbouw.

Maar zoals zo vaak is er eerst een ramp nodig om kennis om te zetten in daden. Pas nu wordt in Europees verband nagedacht over betrouwbare procedures om aswolken te monitoren en gevarenzones aan te wijzen. En dit terwijl elders in de wereld routines ontwikkeld zijn en inmiddels een flinke ervaring is opgebouwd om vliegverkeer en aswolken uit elkaar te houden.
In het vulkaanrijke Nederlands-Indië ging het vroeger al net zo. De koloniale overheid was maar moeizaam van de noodzaak te overtuigen dat er systematisch vulkaanonderzoek gedaan moest worden om bevolking, bezittingen en infrastructuur te beschermen tegen de gevaren. De Leidse hoogleraar Escher was een vroege pleitbezorger van een speciale overheidsdienst. Pas toen 5100 slachtoffers waren gevallen bij de uitbarsting van de Kelud in 1919 werd het besluit genomen om een Vulkaanbewakingsdienst in het leven te roepen.
Door alle wetenschappelijke aandacht voor “onze” overzeese vulkanen in de eerste helft van de vorige eeuw heeft een hele generatie Nederlandse mijningenieurs en geologen aan de wieg gestaan van de moderne vulkanologie. Icoon daarvan was natuurlijk KNGMG-erelid Verbeek, die eerder al wereldfaam had verworven door zijn beschrijvingen van de Krakatau uitbarsting. Andere bekende namen waren Fennema, Kemmerling, Taverne, van Es, Stehn, Neumann van Padang, Esenwein en Hartmann. Van Bemmelen was in de eerste jaren van WO-II het laatste Nederlandse hoofd van de Vulkanologische Dienst, de voorloper van het huidige Centre of Volcanology and Geological Hazard Mitigation in Bandung. Ook in Nederland zelf was er grote belangstelling voor vulkaanonderzoek, zoals blijkt uit publicaties van Escher, Brouwer, Umbgrove, Kuenen en anderen. Al dit baanbrekende werk en de rijkgedocumenteerde veldgegevens zijn nog steeds waardevol om toekomstig gedrag van de vulkanen in Indonesië te kunnen voorspellen.
De beperkte mogelijkheden van toen staan in schrille tegenstelling tot de moderne technieken die het vulkaanonderzoek tegenwoordig ter beschikking staan. Het omhoog komen van magma in de Eyjafjallajökull kon al vanaf zo’n 2 maanden voor de eerste uitbarsting van 20 maart nauwkeurig, bijna in real-time gevolgd worden door seismische waarnemingen en geodetische technieken (GPS en InSAR) via satellieten. Ter plaatse werd de hoogte van de aspluim gemonitord met een weerradarsysteem en theodoliet. Met satellietbeelden en metingen van de hoeveelheid SO2 en aerosol via infrarood- en ultraviolettechnieken werd de verspreiding van de aswolk nauwkeurig gevolgd. Zelfs kwam 3-D informatie over hoogte en korrelgrootte beschikbaar. De VAAC voorspelde het traject van de aswolk met modelberekeningen die de basis vormden voor de beslissingen over een vliegverbod. Vanaf de grond en vanuit de lucht werd de verspreiding van asdeeltjes gemeten met lasertechnieken, o.a. bij de KNMI meetmast in Cabauw. Verkenningsvluchten werden uitgestuurd voor visuele waarnemingen aan de aswolk. Het RIVM rapporteerde concentraties sulfaat en fluoride in regenwater die weliswaar licht verhoogd maar ongevaarlijk bleken te zijn.
Alles bij elkaar was de eruptie van de Eyjafjallajökull maar matig explosief (VEI 3-4). Hij bereikte een maximale hoogte van bijna 10 km en produceerde niet overmatig veel as (ca. 0,2 kubieke kilometer). Dit soort erupties zijn voor IJsland niet ongebruikelijk en komen daar eens in de 20-40 jaar voor. De impact bij ons werd vooral veroorzaakt door de wind uit noordelijke en noordwestelijke richting (heerst in ca. 6% van de tijd) en de fijnheid van de as (veroorzaakt door de interactie tussen het magma en het water van de ijskap). Door deze specifieke combinatie van factoren konden de asdeeltjes zich over grote delen van Europa verspreiden.
Onderzoek met verschillende microbeam-technieken in Utrecht liet zien dat asdeeltjes die in Engeland vielen maximaal zo’n 50 micrometer groot waren. De overgrote meerderheid bestond uit kristalletjes van een bonte verzameling mineralen, naast minuscule lavafragmentjes en een klein percentage vulkanisch glas. De mineralogie duidt op een hydrothermaal omgezet silicium-rijk gesteente, mogelijk een restant van de vorige uitbarsting in 1821-1823. Terwijl bij de flankeruptie van 20 maart tot 12 april bazaltische lava uitstroomde, was de aswolk van de centrale phreato-magmatische uitbarsting die op 14 april begon dus heel anders van samenstelling. We vermoeden dat het juvenile magma eerst naar de flank gedwongen werd vanwege een barrière, en pas in het centrale deel naar buiten kon komen nadat de prop explosief was opgeruimd. Het bimodale karakter en de manier waarop de Eyjafjallajökull tot uitbarsting kwam past in het gedragspatroon van de vulkanen in de “Eastern Volcanic Zone”. De chemische samenstelling van de bazalten wijst erop dat hier de IJslandse “mantle plume” gelocaliseerd is.
Aandacht voor vulkanische activiteit zal wereldwijd op de agenda blijven, ook in Nederland. Sinds 10 oktober j.l. zijn er zelfs twee Nederlandse “gemeenten” met echte vulkanen, Saba en St. Eustatius. In tegenstelling tot de andere vulkaaneilanden in de Cariben moeten ze het nog steeds zonder een eigen bewakingsinstantie doen omdat overheidsplannen daarvoor nooit werden uitgevoerd. Eerst wachten op een kleine ramp dan maar?


De krater van de Kelud een klein jaar
na de uitbarsting in 1919
( met dank aan Frans de Geer;
foto: dr G.L.L.kemmerling)

Referenties:
  • Bergen, van, M.,2010. Leven met vulkanen, ook in Nederland. Geobrief 7, 2010:8-9.

Met dank aan de redactie van Geobrief, de nieuwsbrief van het KNGMG, waarin bovenstaand artikel oorpsronkelijk is gepubliceerd


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl