NGV-Geonieuws 174 artikel 1122

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


December 2010, jaargang 12 nr. 9 artikel 1122

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 174! Op de huidige pagina is alleen artikel 1122 te lezen.

<< Vorig artikel: 1121 | Volgend artikel: 1123 >>

1122 Wind zorgt indirect voor uitzonderlijke fossilisatie
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Sommige vindplaatsen van fossielen - en soms zelfs hele gesteente formaties - leveren exemplaren op van een kwaliteit die uitzonderlijk is. Dat kan bijv. gaan om fossielen die in de loop de tijd niet zijn samengeperst maar die hun oorspronkelijke driedimensionale vorm hebben behouden, om een buitengewoon grote variëteit in gefossiliseerde soorten, om uitzonderlijk grote hoeveelheden fossielen, of om fossielen waarvan zelfs de weke delen zo goed bewaard zijn gebleven dat ze niet alleen goed herkenbaar zijn, maar dat er ook anatomische details in kunnen worden onderscheiden die iets over de evolutie van het leven vertellen.

Een van de formaties waarin veel fossielen met herkenbare weke delen zijn te vinden, is de mariene Soom Schalie in Zuid-Afrika. Deze schalie, die maar een paar meter dik is, is zo’n 440 miljoen jaar oud en heeft in de loop der tijd veel raadsels helpen oplossen. In deze schalie zijn bijv de weke delen aangetroffen van de alom bekende conodonten ( kleine tandachtige structuren die een grote aantallen voorkomen in mariene afzettingen van het Precambrium tot de Trias). De functie en biologische affiniteit van deze uiterst gevarieerde groep van fossielen die een grote rol spelen in de biostratigrafie van het Paleozoďcum, was tot dan toe een raadsel, maar uit bestudering van de weke delen blijkt nu dat het primitieve vertebraten zijn geweest met een notochord - d.w.z. nog geen echte ruggegraat - die wat op een lancetvisje leken en die een soort tandplaatjes hadden).


Fossiel van een zeeschorpioen uit
de Soom Schalie, met nog zichtbare
spiermassa’s, kieuwen en ‘peddels’.


Reconstructie van een zeeschorpioen,
op jacht naar een conodonten-bevattend
organisme waarvan later spieren, ogen
en notochord gefossiliseerd zijn
(illustratie Alan Male).


Vaak is het niet goed vast te stellen waarom de fossielen in bepaalde formaties zoveel beter bewaard zijn gebleven dan in andere formaties met een vergelijkbare lithologie, van gelijke ouderdom, en ontstaan in een vergelijkbaar milieu. Onderzoek van de Soom Schalie heeft nu, uiteraard alleen voor deze formatie, uitgewezen waardoor dat komt. Daarbij blijkt wind een belangrijke rol te hebben gespeeld.

De schalies bevatten niet alleen zeer vroege gewervelde dieren zoals euripteriden (zeeschorpioenen) waarvan zelfs ogen, kieuwen en spieren gefossiliseerd zijn, maar ook simpele fossiele algen. Met een bijzondere microscoop (een zogeheten petroscoop) ontdekten de onderzoekers dat die algen eindeloze hoeveelheden siltkorreltjes bevatten. Dat silt (korreltjes met een afmeting van 2-64 micron) vormt ter plaatse een vreemde eend in de bijt: ze zijn vele malen groter dan de kleideeltjes waaruit de schalie is ontstaan. Het fijne karakter van het sediment geeft aan dat er geen invloed van een rivier kan zijn geweest. De enige verklaring voor de siltkorrels is dan ook dat ze door de wind zijn aangevoerd (zoals ook in Nederland af en toe roodachtig silt (‘stof’) uit de lucht omlaag dwarrelt dat uit de Sahara is opgewaaid).

De silt in de Soom Schalie moet zijn aangevoerd door wind die op het land de bodem erodeerde. Daarbij werd ook materiaal meegevoerd dat kon dienen als voedingsstoffen voor het leven in de zee waarin de deeltjes regelmatig neerdwarrelden. Het leven kon daardoor uitbundig zijn. De algen aan het zee-oppervlak en mogelijk zoöplankton dat nabij het zee-oppervlak leefde, stierf af en zakte naar de bodem. De hoeveelheid organische resten werd daardoor zo groot dat er onvoldoende zuurstof in het bodemwater aanwezig was om alle organische resten te verteren. Als gevolg daarvan ontsnapten veel afgestorven dieren daardoor het normale rottingsproces, waardoor ook de weke delen gespaard bleven. Indirect dus heeft een aflandige wind vol voedingsstoffen het fossilisatie proces beďnvloed.

Referenties:
  • Gabbott, S.E., Zalasiewicz, J., Aldridge, R.J. & Theron, H., 2010. Eolian input into the Late Ordovician postglacial Loom Shale, South Africa. Geology 38, p. 1103-1106.

Foto’s: University of Leicester (Groot-Brittannië).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl