NGV-Geonieuws 174 artikel 1123

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


December 2010, jaargang 12 nr. 9 artikel 1123

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 174! Op de huidige pagina is alleen artikel 1123 te lezen.

<< Vorig artikel: 1122 | Volgend artikel: 1124 >>

1123 Zoogdieren werden 1000 maal groter na uitsterven dino’s
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De drie era’s van het Phanerozoïcum - het Palaeozoïcum, Mesozoïcum en Kenozoïcum - zijn onderscheiden op basis van de grote verschillen in dominante levensvormen, zoals die - althans in de beginjaren van de geologie - op basis van fossielen werden ervaren. Na het Paleozoïcum met zijn dominantie van ongewervelde (mariene) dieren volgde het Mesozoïcum met zijn dominante reptielen (sauriërs) op het land, een rol die in het Kenozoïcum werd overgenomen door de zoogdieren. Al lange tijd wordt algemeen aangenomen dat de zoogdieren tot bloei konden komen toen ze verlost waren van de dino’s, die uitstierven bij de overgang van Krijt naar Tertiair en die voordien hun grote voedselconcurrenten waren geweest. Toen de dino’s waren uitgestorven, waren er geen grote herbivoren meer; de toen bestaande zoogdieren waren relatief klein (de grootste wogen niet meer dan ca. 10 kg) en verorberden daarom relatief weinig plantaardig materiaal

Toen de flora zich dan ook herstelde na de meteoriet inslag die aan het einde van het Krijt tijdperk een einde maakte aan de heerschappij van de dinosauriërs, waren er nauwelijks planteneters. Dat betekende dat de flora zich vrijwel ongeremd kon ontwikkelen, daardoor een steeds ruimere voedselbron vormend. De plantenetende zoogdieren stelden zich daarop in en binnen de geologisch gezien betrekkelijk korte tijd van 25 miljoen jaar ontwikkelden ze zich van relatief kleine tot zeer grote dieren. Daarbij moet worden aangetekend dat het voor grote dieren veel efficiënter is om herbivoor dan om carnivoor te zijn.


De reuzen Indrocotherium en
Deinotherium waren veel
groter dan de Afrikaanse olifant en
vele malen groter dan de mens.


Indricotherium was het grootste
landzoogdier ooit; het leefde tijdens
het Oligoceen.


De grootste landzoogdieren werden in die 25 miljoen jaar ruim 1000 maal zo zwaar als hun voorgangers uit het Mesozoïcum, met uitschieters zoals de 5,5 m hoge Indricotherium en de 17 ton zware Deinotherium. Deze reuzen waren geen ‘spelingen van de natuur’, maar het gevolg van een geleidelijke ontwikkeling. Dat blijkt uit een studie naar de maximale grootte van vertegenwoordigers uit diverse groepen zoogdieren op ieder continent gedurende opeenvolgende tijdseenheden. Tot de onderzochte groepen behoorden o.a. de Perissodacyla (evenhoevigen, zoals het paard en de neushoorn), de Proboscidea (slurfdragers, zoals de olifant, de mammoet en de mastodont) en de Xenarthra (miereneters, luiaards, gordeldieren) en diverse uitgestorven groepen.


Het skelet van Indricoterium.


Deinotherium giganteum was het
zwaarste landzoogdier ooit. Deze soort
leefde van het laat-Mioceen tot het
vroeg-Pleistoceen.


Uit het onderzoek blijkt dat de maximale grootte van de landzoogdieren niet alleen bepaald werd door het al eerder genoemde voedselaanbod maar ook door het klimaat: hoe kouder, hoe groter de soorten werden (het warmteverlies is relatief gering bij grote dieren). Ook bleek dat geen enkele groep binnen de zoogdieren domineerde wat betreft het aantal reuzensoorten: het optreden van echte reuzen lijkt toeval te zijn. Ook bleek dat er geen tijdvak was waarin veel meer reuzen voorkwamen dan in andere tijdvakken.


Het skelet van Deinotherium giganteum.


Mede-onderzoekster Jessica Theodor
met de schedel van een Hyaenodon,
een vleesetend zoogdier behorend tot de
Creodonta, die van 42 tot 16 miljoen
jaar geleden leefden.


Referenties

Referenties:
  • Smith, F.A., Boyer, A.G., Brown, J.H., Costa, D.P., Dayan, T., Ernest, S.K.M., Evans, A.R., Fortelius, M., Gittleman, J.l., Hamilton, M.J., Harding, L.E., Lintulaakso, K., Lyons, S.K., McCain, C., Okie, J.G., Saarinen, J.J., Sibly, R.M., Stephens, P.R., Theodor, J. & Uhen, M.D., 2010. The evolution of maximum body size of terrestrial mammals. Science 330, p. 1216-1219.

Foto Theodor: Riley Bradt / University of Calgary; illustratie relatieve groottes: National Science Foundation / Research Coodination Network / IMPPS.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl