NGV-Geonieuws 175 artikel 1135

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Januari 2011, jaargang 13 nr. 1 artikel 1135

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 175! Op de huidige pagina is alleen artikel 1135 te lezen.

<< Vorig artikel: 1134 | Volgend artikel: 1136 >>

1135 Krokodillen zijn wellicht geen levende fossielen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Sommige dieren en planten lijken min of meer onveranderd te zijn gebleven gedurende tientallen miljoenen jaren. Dat geldt bijv. voor de coelacanth (Latimeria chalumnae), de degenkrab (Limulus) en bomen zoals de ginkgo (Ginkgo biloba) en Wollastonia. Vaak worden ook de krokodillen als levende fossielen beschouwd, omdat er al in het Mesozoïcum dieren voorkwamen die veel met recente krokodillen gemeen lijken te hebben. De vondst van fossiel materiaal van een bizar krokodil-achtig dier uit het Boven-Krijt van Madagascar zet echter vraagtekens bij deze opvatting.

De vondst wordt zo belangrijk geacht dat er een apart boekwerk van 236 bladzijden (+ uitvouwblad) aan is gewijd, dat als ‘Memoir’ is toegevoegd aan het laatste nummer van 2010 van het Journal of Vertebrate Paleontology. Dat een apart boekwerk wordt gewijd aan één enkele soort is een grote uitzondering. De reden dat dat in dit geval wel is gebeurd, hangt ten nauwste samen met de details die uit de fossiele vondsten konden worden gereconstrueerd. Daarbij moet echter wel worden aangetekend dat ook veel aandacht wordt besteed aan de groep waartoe het fossiel behoort: de uitgestorven suborde van de Notosuchia.


Reconstructie van Simosuchus clarki
(foto typelocaliteit Raymond Rogers;
sculptuur Boban Filipovic; montage Lucille Betti-Nash).


Schedel en onderkaak van Simosuchus clarki
(foto Jeanne Neville).


De krokodil waar het allemaal om draait is Simosuchus clarki. Dit dier werd in 2000 voor het eerst beschreven op basis van een goed gepreserveerde schedel en een gedeeltelijk bewaard gebleven skelet. Het fossiele dier baarde toen al opzien vanwege zijn korte, stompe snuit, zijn blad vormige tanden en zijn korte lichaam dat op een tank leek, en dat was bekleed met een benige bepantsering. Daarmee was het veruit de meest bizarre krokodil die ooit is gevonden. In de afgelopen tien jaar zijn er op Madagascar, tijdens een aantal expedities, meer schedels en botten van deze soort gevonden. Bijna van alle verschillende botten van het dier is nu minimaal één exemplaar beschikbaar voor onderzoek. Daardoor kan het skelet tot in groot detail worden gereconstrueerd en is ook de plaats van Simosuchus clarki in de evolutionaire ontwikkeling van de krokodillen met grote precisie vast te stellen.


Het skelet van Simosuchus clarki
(tekening Lucille Betti-Nash).

Er is nu zoveel materiaal van Simosuchus beschikbaar, het materiaal is dermate goed gefossiliseerd en het dier is zo uitzonderlijk, dat het volgens deskundigen zonde zou zijn om het niet in detail te onderzoeken. Dat is gebeurd en er zijn weinig of geen krokodillen - de recente soorten inbegrepen - die zo diepgaand zijn beschreven. Het eerder genoemde boek vormt daarmee niet alleen een werk over dit fossiele dier dat nog tientallen jaren als standaardwerk zal worden beschouwd, maar kan ook als leidraad dienen voor soortgelijke toekomstige onderzoeken. Aparte hoofdstukken worden gewijd aan de belangrijkste fossiele restanten: de schedel, de ruggegraat, de poten en de bepantsering. Van de schedel en de onderkaak zijn bijzonder goed gefossiliseerde en complete exemplaren aanwezig. Van de best bewaarde schedel zijn hoge-resolutie scans gemaakt die het mogelijk maken om zowel de vorm als de inwendige structuur van de schedel in uitzonderlijk detail te beschrijven, inclusief zelfs de loop van de kleinste zenuwen en bloedvaten.

Die uitzonderlijke details mogen echter niet afleiden van het grotere geheel. Simosuchus clarki was als dier immers ook heel uitzonderlijk. Met zijn lengte van ca. 70 cm, zijn lompe vorm, zijn stompe kop en de kortste staart van alle bekende krokodil-achtigen was hij bepaald niet geschikt om plotseling ‘uit het niets’ een prooi langs de waterkant te verrassen. Hij leefde op het land, en hij kan niet erg snel zijn geweest. Dat maakt hem tot een slechte jager. Maar zijn korte onderkaak met bladvomige tanden wijst er dan ook op dat hij waarschijnlijk vooral planten at. Dat past bij zijn leefmilieu, dat uit een semi-aride grasland bestond. In dat gras verborg hij zich waarschijnlijk voor jagers uit die tijd zoals Majungasaurus. Kortom, het was een heel ander dier dan de huidige krokodillen en alligators. Die kunnen dan ook moeilijk worden beschouwd als niet of nauwelijks veranderde afstammelingen. Daarmee wordt hun ‘status’ als levend fossiel dan ook dubieus.

Referenties:
  • Krause, D.W. & Kley, N.J. (red.), 2010. Simosuchus clarki (Crocodyliformes: Notosuchia) from the Late Cretaceous of Madagascar. Society of Vertebrate Paleontology Memoir 10 - supplement to the Journal of Vertebrate Paleontology 30 (6), 236 blz.

Illustraties: Stony Brook University, Stony Brook, NY (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl