NGV-Geonieuws 177 artikel 1152

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Maart 2011, jaargang 13 nr. 3 artikel 1152

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 177! Op de huidige pagina is alleen artikel 1152 te lezen.

<< Vorig artikel: 1151 | Volgend artikel: 1153 >>

1152 Vroegste slangen liepen op land
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Dankzij een nieuwe techniek waarmee röntgenopnames van het inwendige van een voorwerp kunnen worden gemaakt (met behulp van een zogenaamd synchotron), is meer duidelijk geworden over de vraag wat de herkomst is van slangen. Deze merkwaardige reptielen hebben immers geen poten meer, maar er zijn in tot nu toe drie fossiele exemplaren gevonden waaruit blijkt dat de vroegste slangen nog over kleine botten beschikten die als restanten van poten gezien moeten worden. Bekend is dat de slangen geëvolueerd zijn uit hagedissen die over poten beschikten, maar die geleidelijk begonnen te verliezen, mogelijk door een aangepaste leefwijze. Of die hagedissen op het land leefden of in zee, was tot nu toe echter een open vraag.

Een van de fossiele exemplaren van een slang met botten die wijzen op poten is Eupodophis descouensui. Dit fossiel werd tien jaar geleden gevonden in Libanon, in gesteenten van 95 miljoen jaar oud (Cenomaan, oudste Laat-Krijt). Het exemplaar is ongeveer een halve meter lang en toont een bot uit een achterpoot die ongeveer 2 cm lang moet zijn geweest; het is gehecht aan het bekken. Het dier vormt dus een evolutionaire schakel tussen de hagedissen met poten en de slangen zonder poten.


Het onderzochte fossiel van Eupodophis.
Schaalstreep 1 cm (foto A. Houssaye).


3-D model van de ‘verborgen’ poot.
Schaalstreep 0,5 mm (foto A. Houssaye).


Het fossiel toont dat het dier geen voorpoten meer had, maar het laat wel een achterpoot zien. Deze poot is zichtbaar aan de buitenkant van een steenmassa die zich niet goed leent om het fossiel er onbeschadigd uit te prepareren. Gezien de staat van fossilisatie leek het waarschijnlijk dat het blok steen ook de andere achterpoot zou herbergen. Die werd wetenschappelijk van groot belang geacht omdat de poot die aan het gesteente oppervlak zichtbaar is zodanig incompleet is dat die geen uitsluitsel kon geven over de terrestrische of mariene afstamming. Dankzij de opnames met behulp van de synchotron is nu een 3-dimensionaal beeld van de tweede poot verkregen.

Dit beeld toont zeer fijne details, waaruit deskundigen opmaken dat het verlies van volledig ontwikkelde poten te wijten is aan hetzij een lage groeisnelheid, hetzij een kortere groeitijd dan voor het lichaam als geheel. Uit het beeld kan verder worden opgemaakt dat de poten van de slang veel meer lijken op die van terrestrische hagedissen dan op die van mariene soorten. Daaruit kan worden afgeleid dat de voorouders van Eupodophis descouensui op het land hebben geleefd, en dat hun poten steeds korter moeten zijn geworden. Zo ontwikkelden zich geleidelijk slangachtige dieren; ook de eerste slangen moeten overigens nog korte pootjes hebben gehad.

Referenties:
  • Houssaye, A., Xu, F., Helfen, L., De Buffrénil, V., Baumbach, T. & Tafforeau, P., 2011. Three-dimensional pelvis and limb anatomy of the Cenomanian hind-limbed snake Eupodophis descouensi (Squamata, Ophidia) revealed by synchotron-radiation computed laminography. Journal of Vertebrate Paleontology 31, p. 1-16.

Foto’s: European Synchotron Radiation Facility.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl