NGV-Geonieuws 178 artikel 1161

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


April 2011, jaargang 13 nr. 4 artikel 1161

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 178! Op de huidige pagina is alleen artikel 1161 te lezen.

<< Vorig artikel: 1160 | Volgend artikel: 1162 >>

1161 Oorzaak van de ‘massagraven’ van trilobieten
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Trilobieten - fossielen die door vrijwel alle amateur-paleontologen hogelijk worden gewaardeerd - komen in diverse gesteentepakketten (onder meer in Marokko, Polen en de Amerikaanse staat Oklahoma) in zulke grote hoeveelheden voor dat er van ‘massagraven’ kan worden gesproken. Deze geleedpotige dieren (Arthropoda), die gedurende het gehele Paleozoïcum voorkwamen, maar aan het eind van het Perm uitstierven - vertonen ook nog andere opvallende trekjes. Zo zijn er ‘optochten’ bekend waarbij tal van exemplaren ‘kop-aan-kont’ lopen, zoals we dat in Nederland goed kennen van de eikenprocessierups. Dergelijke optochten zijn overigens ook bekend van recente arthropoden.


Een ‘massagraf’ van devonische
trilobieten.


Een ‘kop-aan-kont’ optocht van
trilobieten.


Tot nu toe is weinig aandacht geschonken aan deze toch uitzonderlijke voorkomens. Op 20 maart is tijdens het jaarlijkse congres van de Geological Society of America echter een voordracht gehouden waarin het waarom van deze bijzondere voorkomens uit de doeken werd gedaan. Daarbij blijken zowel sedimentaire processen onder invloed van weersomstandigheden, alsook het gedrag van de trilobieten zelf een rol te spelen.

Het bestaan van de ‘massagraven’ is vroeger wel verklaard als het gevolg van het feit dat arthropoden, vanwege hun groei, om de zoveel tijd moeten ‘vervellen’. Ze laten daarbij hun oude pantser (exoskelet) achter. Als vele generaties trilobieten dat steeds op dezelfde plaats doen, ontstaat er ter plaatse een enorme accumulatie van deze pantsers. Als die vervolgens weer met sediment worden opgevuld, lijkt het dus net of er een ontzagwekkende hoeveelheid trilobieten ter plaatse is omgekomen.

Onderzoeksleider Brett gaat niet in die zienswijze mee, al neemt hij er wel enkele aspecten van over. Volgens hem zijn er wel degelijk grote aantallen trilobieten tegelijk omgekomen. Dat zou volgens hem het gevolg zijn van orkanen die zulke grote golven veroorzaakten dat grote hoeveelheden zand van de zeebodem werden opgepakt en met oppervlaktestromen weggevoerd, om vervolgens elders te worden afgezet op het moment dat de storm weer ging liggen. Zo zouden de daar op de bodem levende dieren plotseling onder een zandpakket zijn begraven, gestikt en vervolgens gefossiliseerd.

Dat verklaart echter nog niet de massagraven, want waarom waren de concentraties trilobieten soms zo groot? Daarvoor verwijzen de onderzoekers naar het gedrag van andere arthropoden zoals krabben en kreeften. Die verzamelen zich in grote groepen wanneer ze gaan vervellen. Bij het vervellen werpen ze namelijk hun harde pantser af, maar het nieuwe (onderliggende) pantser is nog zacht: dat moet nog even kunnen meegroeien. Het zachte pantser biedt daardoor aanvankelijk nog weinig bescherming tegen roofdieren. Door dicht tegen elkaar aan te gaan liggen, zijn de middelste dieren in ieder geval aan hun zijkanten beschermd tegen rovers. Dat het inderdaad gaat om vervellen, tonen de onderzoekers aan met behulp van fragmenten van afgeworpen pantsers, die veelal nog naast de dieren liggen. Deze ongestoorde positie ondersteunt trouwens ook de hypothese dat de dieren plotseling werden bedekt door sediment in een overigens rustig milieu.

Van de gelegenheid van dergelijke ‘sociale vervellingsbijeenkomsten’ maakten de trilobieten waarschijnlijk ook gebruik om te paren. Dat blijkt uit het feit dat de concentraties altijd bestaan uit één soort, en dat het ook gaat om ongeveer even grote - dus even oude - individuen.

Referenties:
  • Brett, C.E., Kin, A. & Hunda, B.R., 2011. Trilobite obrution horizons with “frozen behavior”: paleobiological insights from taphonomic and ecxological windows. Geological Society of America Abstracts with Programs 43 (1), p. 51.

Foto’s: University of Cincinnati, Cincinnati (OH) (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl