NGV-Geonieuws 179 artikel 1173

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Mei 2011, jaargang 13 nr. 5 artikel 1173

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 179! Op de huidige pagina is alleen artikel 1173 te lezen.

<< Vorig artikel: 1172 | Volgend artikel: 1174 >>

1173 Verandering van spijs doet eten
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

In de afgelopen 10 miljoen jaar zijn de grotere Afrikaanse herbivore zoogdieren van dieet veranderd: de meeste gingen over van een dieet van takken en bladeren naar een dieet van gras. Maar de olifanten zijn inmiddels weer naar hun oorspronkelijke dieet teruggegaan. Een en ander blijkt uit de analyse van de koolstof-isotopen in 452 fossiele kiezen van negen families die op drie locaties in Kenia woonden. Deze locaties werden ook bewoond door menselijke voorouders.

De veranderingen in voedselkeuze hangen voor een belangrijk deel samen met de opkomst in oostelijk Afrika, zo’n 10 miljoen jaar geleden, van zogeheten C4-grassen. Die ontwikkeling hangt weer samen met een toenemende droogte. In het Mioceen was Afrika nog voornamelijk begroeid met bomen en struiken, totdat deze - afhankelijk van de plaats - tussen 10 en 15 miljoen jaar geleden begonnen plaats te maken voor grassen. Overigens waren er ook al eerder relatief kleine, verspreide gebieden die met gras waren bedekt.

Planten worden, op basis van de manier waarop hun fotosynthese plaatsvindt, onderverdeeld in C3- en C4-planten. Tot de C3-planten behoren bomen, struiken en grassen die in het koele seizoen groeien. C4-planten zijn voornamelijk riet en grassen die in het warme seizoen groeien. In oostelijk Afrika zijn bijna alle grassen nu C4-planten. Het verschil tussen C3- en C4-planten uit zich in een verschillende verhouding van de koolstof-isotopen. De koolstof in het voedsel wordt onder meer gebruikt voor de opbouw van het tandglazuur. Door de isotopenverhouding in het tandglazuur meten, is het dus mogelijk om vast te stellen of de dieren destijds C3- of C4-planten aten, wat in praktijk neerkomt op een dieet van voornamelijk bladeren of gras.


Een kies uit de bovenkaak van
een fossiele voorganger van de
zebra die 9,6 miljoen jaar geleden leefde.


Olifanten eten nu weer vooral bladeren
en struiken, maar hadden een
‘tussendoortje’ van gras.


De eerste grote zoogdieren die van de opkomst van de grassen gebruik begonnen te maken waren de voorouders van de huidige zebra’s. Zij veranderden hun dieet al snel: ca. 9,9 miljoen jaar geleden. Daarna kwamen de neushoorns (9,6 miljoen jaar geleden), maar niet alle neushoornsoorten deden eraan mee. Het duurde daarna tot ca. 7,4 miljoen jaar geleden voordat het grasdieet op veel grotere schaal ingang vond, onder meer bij de olifanten. Nijlpaarden volgden nog veel later, en sommige zoogdieren, waaronder de giraffen (die gemakkelijk bij bladeren van hoge bomen konden komen), begonnen er helemaal niet aan. De ontwikkeling is opvallend, want pas 4,2 miljoen jaar geleden ontwikkelden zich uitgestrekte grasvlakten in oostelijk Afrika, en de echte verdroging begon pas 2,7 miljoen jaar geleden. De dominantie van gras in oostelijk Afrika dateert zelfs van niet langer dan 1 miljoen jaar geleden. Gras vormt nu nog steeds het hoofdvoedsel voor de meeste grote herbivore zoogdieren in oostelijk Afrika, al zijn de olifanten er dan wel weer van afgestapt.

Het opvallende van deze ontwikkeling is het verschil in snelheid waarmee de natuur zich aan veranderende omstandigheden aanpaste. Het lijkt er immers op dat de vegetatie zich al aanpaste voordat het klimaat wezenlijk veranderde, en dat de dieren hun dieet al begonnen aan te passen voordat de vegetatie op groter schaal veranderde! Dat betekent ook dat in de huidige discussies over klimaatverandering niet - zoals gewoonlijk wordt gedaan - mag worden verondersteld dat diergroepen hetzij zullen uitsterven omdat hun huidige voedselbronnen zouden verdwijnen, hetzij migreren om hun bestaande voedsel naar andere oorden te volgen.

Referenties:
  • Uno, K.T., Cerling, T.E., Harris, J.M., Kunimatsu, Y., Leakey, M.G., Nakatsukasa, M. & Nakaya< H., 2011. Late Miocene to Pliocene carbon isotope record of differential diet change among East African herbivores. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States 108, p. 6509-6514.

Foto’s (Kevin Uno): University of Utah, Salt Lake City, UT (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl