NGV-Geonieuws 179 artikel 1174

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Mei 2011, jaargang 13 nr. 5 artikel 1174

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 179! Op de huidige pagina is alleen artikel 1174 te lezen.

<< Vorig artikel: 1173 | Volgend artikel: 1175 >>

1174 Een hapje van een ichthyosaurus
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Voor veel Amerikanen is een krokoburger een sensatie: een hapje van een angstwekkend dier, dat je echter zonder enige moeite - en zonder gevaar - op veel plaatsen, vooral in Florida, kunt krijgen. Het tekent hoever de mens van de natuur is komen af te staan, want in de natuur is het voortdurend ‘eten of gegeten worden’. Dat is nu zo, maar dat was uiteraard ook zo in het geologische verleden. Zo af en toe is daar aan de hand van bijtsporen op fossiele botten iets van terug te vinden, meestal in de vorm van vraatsporen, veroorzaakt door aaseters die zich aan een karkas tegoed deden.


Het platgedrukte fossiele restant van de snuit (foto Jo Bain).


Een nieuw en bijzonder voorbeeld is een bijtspoor op een bot uit de spitse snuit van een ichthyosauriër, die 120 miljoen jaar geleden (Vroeg-Krijt) rondzwom in de ondiepe, warme zee die destijds Zuid-Australië bedekte. Het gaat om een exemplaar van Platypterychius australis, dat - zoals uit de in een bot in zijn snuit achtergelaten paar tandafdrukken blijkt - bij leven (en weinig welzijn) is aangevallen. Dat het dier nog leefde toen de aanvaller zijn tanden in hem zette blijkt uit het feit dat de wonden die werden aangebracht gedeeltelijk geheeld zijn.


Detail van het bot uit de snuit
van de ichthyosauriër met de afdruk
van de tand van (waarschijnlijk)
een soortgenoot (foto Jo Bain).

Tot welke soort de aanvaller behoorde, hebben de onderzoekers proberen uit te zoeken door steeds verdere eliminatie van mogelijke daders. De zee waarin Platypterychius rondzwom, werd ook bevolkt door grote haaien en een monsterachtig, 10 m groot reptiel met een korte nek en een grote kop. Dit reptiel, Kronosaurus, een soort die tot de pliosauriërs behoort, zou echter andere bijtsporen hebben moeten achterlaten met diepe inkepingen rondom de grote indruk. Haaien komen evenmin als dader in aanmerking; iedere geoloog weet hoe haaientanden eruit zien: ze laten een smal bijtspoor achter. Bovendien zouden zowel Kronosaurus als haaien hun prooi waarschijnlijk hebben aangevallen in zijn buik, niet in zijn snuit.

De bijtsporen komen veel meer overeen met die van ‘directe familie’: andere ichthyosauriërs. De plaats van de aanval (de snuit) lijkt bovendien niet zozeer afkomstig van een roofdier dat zijn prooi op de meest kwetsbare plaats aangrijpt, maar wijst veeleer op een agressieve actie tegen een concurrent, zoals dat ook in de huidige dierenwereld veelvuldig voorkomt wanneer dieren zich in het jachtgebied van een soortgenoot wagen of wanneer er om de gunsten van een partner wordt gevochten. Dat zou erop kunnen wijzen dat de aanval kwam van een soortgenoot.


Alle ichthyosauriërs hadden een
spitse snuit (reconstructie Josh Lee).


Platypterychius in de aanval.


Referenties:
  • Zammit, M. & Kear, B.P., 2011. Healed bite marks on a Cretaceous ichthyosaur. Acata Palaeontologica Polonica 56 (in press), doi:10.4202/app.2010.0117.

Foto’s: Universiteit Uppsala (Zweden).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl