NGV-Geonieuws 179 artikel 1175

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Mei 2011, jaargang 13 nr. 5 artikel 1175

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 179! Op de huidige pagina is alleen artikel 1175 te lezen.

<< Vorig artikel: 1174 | Volgend artikel: 1176 >>

1175 Fossiele kiespijn
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Het is niet waarschijnlijk dat de eerste dieren met tanden en kiezen (die in feite een aan een speciale functie aangepast soort huidcellen zijn) ook last hadden van kiespijn. Net zoals dat nu nog het geval is bij onder meer de haaien (die een relatief primitieve levensvorm vertegenwoordigen), zaten de tanden waarschijnlijk los, en werden ze na enige tijd vervangen - voordat kiespijn kon ontstaan. Mensen hebben nog een melkgebit (sommige mensen wisselen overigens tweemaal!), wat erop wijst dat ook onze (verre) voorouders hun tanden om de zoveel tijd wisselden.

Een leven zonder kiespijn is natuurlijk een beter leven dan mét kiespijn. De vraag is dus waarom de evolutie er - althans bij vrijwel alle landdieren - toe heeft geleid dat tanden een leven lang mee moeten. Vooral bij grazers heeft dat bepaalde nadelen: zo slijten hun kiezen soms zover af dat ze nauwelijks nog gras kunnen vermalen. De reden is dat tanden die regelmatig gewisseld worden, niet al te vast mogen zitten. Dat houdt in dat ‘hard’ voedsel moeilijk verwerkt kan worden. Daarvoor moeten de tanden immers stevig vast zitten, liefst met wortels verankerd in de kaak.

Tal van fossiele vondsten wijzen erop dat de het wisselen van tanden een gevolg was van de verovering van het land door de dieren. Planten hadden het land al eerder veroverd, en het eerste voedsel dat de nieuwe landdieren dan ook tegenkwamen in hun nieuwe leefomgeving (die ze overigens pas langzaam verkenden: aanvankelijk bleven het in het water levende dieren die soms op het land kwamen, en die zich in de loop der evolutie steeds frequenter op het land en minder in het water ophielden) waren planten. Die planten met hun vezelige structuur waren niet goed eetbaar met de aan vis en andere zeedieren aangepaste tanden, met als gevolg dat het gebit zich steeds mee aan het nieuwe voedsel ging aanpassen. En toen er zoveel dieren op het land begonnen te leven dat er ook jacht op andere landdieren gemaakt kon worden, veranderde het gebit niet fundamenteel, want het vlees van landdieren is als regel harder dan het vlees van zeedieren. Stevig verankerde tanden - die dus niet meer (of veel minder vaak) konden worden gewisseld - boden dus voordelen.

Maar ja, levenslang met dezelfde tanden doen, betekent een sterk vergrote kans op problemen met die tanden of kiezen, hetzij doordat ze per ongeluk afbreken, hetzij doordat het tandvlees (of het gebit zelf) wordt aangetast door bacteriën, hetzij doordat er ontstekingen rondom de tand of kies plaatsvinden.


Het kaakfragment met het abces.

Dat laatste werd vastgesteld toen onderzoekers een aantal exemplaren onderzochten van Labiosaurus hamatus, een reptiel dan 275 miljoen jaar geleden (Vroeg-Perm) op het Noord-Amerikaanse continent leefde. Een van de exemplaren miste enkele tanden, en de kaak waarin die tanden had gezeten was plaatselijk iets geërodeerd. Uit scans bleek dat het dier ter plaatse een aanzienlijke infectie moet hebben gehad, wat zich uitte in een groot abces. Het gevolg was dat er diverse tanden verloren gingen en dat er ook botweefsel verdween. Het dier moet dan ook behoorlijk kiespijn hebben gehad.

De zo aangetroffen ‘fossiele kiespijn’ is uitzonderlijk: het tot dan toe oudst bekende aangetaste gebit dateert van zo’n 200 miljoen jaar later. Daar mag overigens niet uit worden afgeleid dat kiespijn in het geologische verleden een zeldzaamheid was, want er zijn zeer veel kaakfragmenten bekend waaruit één of meer tanden zijn verdwenen. Gewoonlijk wordt er niet naar een oorzaak gezocht; de hier aangehaalde studie zal daar mogelijk verandering in brengen.

Referenties:
  • Reisz, R.R., Scott, D.M., Pynn, B.R. & Modesta, S.P., 2011. Osteomyelitis in a Paleozoic reptile: ancient evidence for bacterial infection and its evolutionary significance. Naturwissenschaften 98, doi:10.0007/s00114-011-0792-1.

Foto: University of Toronto Mississauga (Canada).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl