NGV-Geonieuws 180 artikel 1185

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Juni 2011, jaargang 13 nr. 6 artikel 1185

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 180! Op de huidige pagina is alleen artikel 1185 te lezen.

<< Vorig artikel: 1184 | Volgend artikel: 1186 >>

1185 Snelheid van opheffing en erosie van Algauer Alpen bepaald
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Geomorfologie ! Klik hier voor alle artikelen over Sedimentologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Veel geologische processen gaan langzaam. Voorbeelden zijn de opheffing van gebergten en erosie. Waar beide processen een rol spelen, is het netto effect moeilijk voorspelbaar, omdat beide processen moeilijk exact te meten zijn, en omdat ze ook beide onregelmatig in de tijd kunnen verlopen. Dit speelt bijvoorbeeld bij de vraag of (relatief) jonge gebergten nog steeds hoger worden omdat de opheffing sneller gaat dan de erosie, of dat ze juist in hoogte afnemen doordat de erosie sneller gaat dan de opheffing. In principe is het nu mogelijk om zelfs kleine veranderingen in hoogte te meten vanuit satellieten, maar de praktijk is weerbarstig: waar ijs of sneeuw op de toppen van gebergten aanwezig is, wordt de hoogtebepaling van de toppen beïnvloed door de wisselende dikte van die ijs- of sneeuwbedekking.


Een van de onderzochte druipstenen
(foto Michael Meyer).

Het blijkt echter mogelijk om op geheel andere wijze een indruk te krijgen van de opheffingssnelheid van gebergten. Dat blijkt uit een daarop gerichte studie van de Algauer Alpen in Oostenrijk. Daar blijken oude grotten te bestaan dicht bij de toppen. In die grotten komen druipstenen voor (o.a. in de vorm van stalactieten), die wat betreft hun geochemische karakteristieken en hun insluitsels sterk verschillen van andere druipstenen in Alpengrotten. Dat was reden om ze radiometrisch te dateren, waaruit bleek dat het gaat om de oudste tot nu toe bekende druipstenen uit de Alpen. Omdat ze pas gevormd kunnen zijn toen de grotten al waren gevormd (maar ook weer niet lang daarna), staat vast dat de grotten ongeveer 2 miljoen jaar geleden moeten zijn ontstaan.

De geochemie, en in het bijzonder de isotopensamenstelling, van druipstenen hangt op een ingewikkelde manier samen met de hoogte waarop ze worden gevormd. Daardoor konden de onderzoekers nagaan op welke diepte (hoogte) de grotten zich bevonden toen de druipstenen werden gevormd, maar ook hoe hoog de gesteentemassa erboven was (dus hoe hoog de top van het gebergte ter plaatse was).

Het resultaat van dit onderzoek is dat de grot met de onderzochte druipsteen 2 miljoen jaar geleden ongeveer 1500 meter lager lag dan nu, en dat de top van het gebergte ter plaatse (dat in de afgelopen 2 miljoen jaar sterk werd geërodeerd door de gletsjers die zich daar in de opeenvolgende ijstijden bevonden) destijds ongeveer 500 m lager lag dan nu. Bij een opheffing van de grot van 1500 m zouden de toppen - indien geen erosie zou hebben plaatsgevonden - nu ook 1500 m hoger moeten hebben liggen. Dat is echter slechts 500 m, zodat er ongeveer een kilometer moet zijn geërodeerd in de afgelopen 2 miljoen jaar, of wel gemiddeld 1 meter per 2000 jaar. Een opheffing van 1500 m in 2 miljoen jaar komt overeen met 1,5 m per 2000 jaar. Dat is uitzonderlijk veel, maar de onderzoekers wijzen erop dat hierbij isostatische opheffing als gevolg van het verdwijnen van dikke ijskappen een significante rol heeft gespeeld.

Referenties:
  • Meyer, M.M., Cliff, R.A. & Spötl, Ch., 2011. Speleothems and mountain uplift. Geology 39, p. 447-450.

Foto: Universität von Innsbrück, Innsbrück (Oostenrijk).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl