NGV-Geonieuws 181 artikel 1191

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Juli 2011, jaargang 13 nr. 7 artikel 1191

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 181! Op de huidige pagina is alleen artikel 1191 te lezen.

<< Vorig artikel: 1190 | Volgend artikel: 1192 >>

1191 Zoogdieren danken grote hersenen aan reukzin
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Mensen hebben uitzonderlijk ontwikkelde hersenen, maar in feite geldt dat ook voor andere zoogdieren, hoewel als regel in mindere mate. De vraag heeft lang gespeeld waarom juist zoogdieren zulke ontwikkelde hersenen hebben. Een mogelijk antwoord is nu gevonden aan de hand van fossiele exemplaren van een van de vroegste zoogdieren, Hadrocodium wui. Dit kleine diertje leefde ongeveer 190 miljoen jaar geleden (Vroeg-Jura). Zeer goed gepreserveerde schedels (van overigens slechts zo’n 12 mm lang en ca. 2 g zwaar) zijn met ‘computerized tomography’ (CT scanning) onderzocht, waardoor een zo gedetailleerd beeld van de binnenkant is verkregen dat daaruit veel valt af te leiden.


De fossiele schedel van Hadrocodium wui
(foto Klingler/Luo, CMNH).


Schedel en reconstructie van Hadrocodium wui
(illustratie Mark Klingler, CMNH).


Een van de opmerkelijke bevindingen is dat de hersenen van Hadrocodium vergelijkenderwijs al zeer groot waren. Maar binnen die toch al relatief grote hersenen blijkt op zijn beurt het gebied waar geuren worden vastgesteld weer erg groot, althans in vergelijking met datzelfde centrum bij recente zoogdieren. Dat wijst erop dat reukzin voor de vroegste zoogdieren van zeer groot belang was. Zo belangrijk dat het daartoe evolutionair ontwikkelde orgaan alleen goed kon functioneren als de hersencapaciteit werd vergroot. Naast een groot en kennelijk zeer goed ontwikkeld hersencentrum voor de reukzin was er nog een ander hersencentrum dat al ver was ontwikkeld. In dat centrum werd vastgesteld of de (dichte) pels van het diertje werd aangeraakt. Zo kon het direct reageren op een aanvaller.

Het is weer een voorbeeld van de voordelen van CT scanning die gedetailleerde informatie oplevert die anders alleen maar kon worden verkregen door het fossiele materiaal te beschadigen. Door vergelijking van de waargenomen gedetailleerde structuren aan de binnenkant van de fossiele schedel met beelden die op gelijke wijze zijn gemaakt van het inwendige van de schedel van recente dieren, kunnen steeds meer op feiten gebaseerde inzichten worden verkregen over de capaciteiten - en daarmee waarschijnlijk ook het gedrag - van inmiddels uitgestorven dieren.

Daarvoor moet overigens wel rekening worden gehouden met de verschillen die per individu optreden: er moeten dus veel gegevens worden verzameld. In dit geval zijn de fossiele schedels van meer dan tien exemplaren van Hadrocodium met CT scanning onderzocht en vergeleken met soortgelijke scans van meer dan 200 recente zoogdieren.


De hersenen (paars) en het reukcentrum (roze)
van Hadrocodium vergeleken met die van
een modern zoogdier (een opossum)
(illustratie Matthew Colbert, University of Texas at Austin).

Referenties:
  • Rowe, T.B., Macrini, Th.E. & Luo, Z.-X., 2011. Fossil evidence on origin of the mammalian brain. Science 332, p. 955-957.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door het Carnegie Museum of Natural History (CMNH), Pittsburgh, PA (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl