NGV-Geonieuws 181 artikel 1194

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Juli 2011, jaargang 13 nr. 7 artikel 1194

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 181! Op de huidige pagina is alleen artikel 1194 te lezen.

<< Vorig artikel: 1193 | Volgend artikel: 1195 >>

1194 Lichaamstemperatuur van dino’s gemeten
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De vraag of dino’s koudbloedige, langzame dieren waren of juist warmbloedig en vlug, heeft de afgelopen jaren tot verschillende antwoorden geleid (zie Geonieuws 716). Er is echter een betrekkelijk jonge techniek waarmee de lichaamstemperatuur van gewervelde dieren kan worden bepaald op basis van de ”samenklontering” van zuurstof- en koolstof-isotopen in het mineraal bioapatiet dat zich in tanden bevindt (zie Geonieuws 1055): hoe lager de temperatuur, hoe meer deze isotopen “samenklonteren”. Zo kan de omgevingstemperatuur waarbij het bioapatiet zich vormde worden vastgesteld; in dit geval is die omgevingstemperatuur de temperatuur in het tandvlees, dus de lichaamstemperatuur. Die techniek is nu ook met succes toegepast op dino’s. Voor het onderzoek werden 11 tanden onderzocht van de sauropoden (de grote plantenetende dino’s met een lange nek en een lange staart) Brachiosaurus en Camarosaurus uit Tanzanië en de Amerikaanse staten Wyoming en Oklahoma.


Onderzochte tand van een Camarosaurus.


Onderzochte tand van een Brachiosaurus brancai.


Uit het onderzoek bleek dat de twee genoemde grote dino’s een lichaamstemperatuur hadden van respectievelijk 38,2 en 35,7 0C (de nauwkeurigheid van de uitkomsten wordt door de onderzoekers gesteld op 1-2 0C). Daarmee deden ze dus bepaald niet onder voor de meeste recente zoogdieren, en ook is die temperatuur hoger dan die voor recente en fossiele reptielen zoals krokodillen. Alleen vogels hebben als grote groep een hogere lichaamstemperatuur.

Het feit dat de lichaamstemperatuur van deze dino’s min of meer gelijk was aan die van de meeste recente zoogdieren, lijkt er op te wijzen dat ze warmbloedig waren. De zaak ligt echter ingewikkelder. Vanwege hun enorme volume konden de sauropoden hun warmte immers veel gemakkelijker lang vasthouden dan veel kleinere dieren. Het is dus niet geheel uitgesloten dat hun temperatuur van hun omgeving afhing, en dat ze dus koudbloedig waren. Niettemin kunnen de nu gevonden waarden fysiologen helpen om beter te begrijpen hoe de dieren hun energie kregen en gebruikten. Tot nu toe berustte het inzicht daarin op nog meer indirect aanwijzingen; zo werd de snelheid van lopen (of rennen) tot nu toe geschat op basis van de afstand tussen pootafdrukken en op basis van de groeisnelheid van hun botten (zie onder andere Geonieuws 19 en 650).


Voor de isotopen-analyse werden
kleine stukjes uit de dinotanden geboord
(foto Thomas Tütken, Univ. Bonn).


Onderzoekers John Eiler (voorgrond)
en Robert Eagle met een van de onderzochte
dinotanden (foto Bill Youngblood, Caltech).


Referenties:
  • Eagle, R.A., Tütken, Martin, T.S., Tripati , A.K., Fricke, H.C., Connely, M., Cifelli, R.L. & Eiler, J.M., 2011. Dinosaur body temperatures determined from isotopic (13C-18O) ordering in fossil biominerals. Science Express, doi:10.1126/science.1206196

Foto’s: California Institute of Technology (Caltexch), Pasadena, Ca (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl