NGV-Geonieuws 181 artikel 1197

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Juli 2011, jaargang 13 nr. 7 artikel 1197

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 181! Op de huidige pagina is alleen artikel 1197 te lezen.

<< Vorig artikel: 1196 | Volgend artikel: 1198 >>

1197 Leven tussen extreem koude ijstijden
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Aan het einde van het Precambrium traden twee extreem koude ijstijden op waarin de aarde voor een groot deel met ijs werd bedekt. De oudste van deze tijdvakken (het Sturtian) trad ongeveer 710 miljoen jaar geleden op, het jongste (het Marinoan) ongeveer 635 miljoen jaar geleden (zie ook Geonieuws 609 en 1109). Er waren tot nu toe talrijke sporen van leven van voor het Sturtian, en eveneens van na het Marinoan (dat werd gevolgd door het Ediacaran met zijn vele nog steeds raadselachtige organismen: zie onder andere Geonieuws 706, 886 en 1107). Uit de periode van ongeveer 75 miljoen jaar tussen deze twee ‘superijstijden’ was tot nog toe echter geen leven bekend. Dat is nu wel gevonden.

Het gaat om honderden microscopisch kleine ovale bolletjes, die van kort na het einde van het Sturtian dateren. Ze worden geïnterpreteerd als restanten van kleine amoebe-achtige organismen die het nog koude zeewater konden trotseren door een ‘pantser’. Met hun microscopisch kleine ‘pootjes’ (in feite daartoe in steeds wisselende vorm aanwezige uitstulpingen van het protoplasma) vingen ze minerale deeltjes die ze aan elkaar ‘lijmden’ om zo een beschermend schelpje te creëren. Het is gelijk het oudste diertje waarvan bekend is dat het een schelpje vormde.


Scanning electron microscope (SEM)
opname van een van de ovale schelpjes
uit de carbonaten boven de glaciale
afzettingen van ‘Sneeuwbal Aarde’.


De organismen werden aangetroffen in de zogeheten cap carbonates, kalksteenpakketten die op diverse plaatsen op de wereld direct de glaciale afzettingen van het Sturtian bedekken. Bij het hier vermelde onderzoek werden de organismen aangetroffen in pakketten in Mongolië en Namibië. In het laboratorium werden de meegebrachte monsters opgelost in zuur, waarna het residu microscopisch werd onderzocht. Daarbij werden donkere ovale deeltjes waargenomen die allemaal aan één uiteinde een inkeping vertoonden. Wat die deeltjes voorstelden, was met een gewone microscoop niet vast te stellen. Daarom werden ze vervolgens met een scanning electron microscope (SEM) bestudeerd. Daarmee verkregen de onderzoekers zeer gedetailleerde drie-dimensionale beelden, die aangaven dat het ging om holle schelpjes van ongeveer 10 micron (een honderdste millimeter) lang. Ze vertoonden onderling wel enige verschillen: de schelpjes uit Namibië waren relatief bolvormig, terwijl die uit Mongolië iets meer buisvormig waren. De inkeping bleek een plaats van waaruit de ‘pootjes’ (pseudopodia) naar buiten konden worden gestulpt. Met behulp van röntgenanalyse stelden de onderzoekers vast dat de schelpjes vrijwel geheel waren opgebouwd uit silicium, aluminium en kalium.

Nu duidelijk is dat er wel degelijk organismen - en zelfs schelpvormende organismen - voorkwamen tussen het Sturtian en het Marinoan, kan er gericht naar meer van dergelijke micro-organismen worden gezocht. Het is in dit kader interessant dat de fossiele organismen het meest weg hebben van amoeben, eencellige organismen die nu in bossen, meren en veengebieden worden aangetroffen, en die kwartsdeeltjes, kleifragmentjes, schimmels en pollen oppikken om die, door cementatie, om te vormen tot een hard omhulsel of schelpje. Bekend is dat bepaalde typen amoeben al voor het Sturtian in grote hoeveelheden voorkwamen, maar ze vormden toen - voor zover bekend - nog geen schelpjes. Mogelijk was de vorming van een beschermend schelpje een evolutionaire ontwikkeling die ertoe leidde dat deze primitieve organismen zelfs de extreem koude omstandigheden van het Sturtian konden overleven.

Referenties:
  • Bosak, T., Lahr, D.J.G., Pruss, S.B., Macdonald, F.A., Dalton, L. & Matys, E., 2011. Agglutinated tests in post-Sturtian cap carbonates of Namibia and Mongolia. Earth and Planetary Science Letters 308, p. 29-40.

SEM-foto van het fossiele schelpje: Tanja Bosak, Department of Geobiology, Massachusetts Institute of Technology, Cambridge, MA (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl