NGV-Geonieuws 183 artikel 1219

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


September 2011, jaargang 13 nr. 9 artikel 1219

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 183! Op de huidige pagina is alleen artikel 1219 te lezen.

<< Vorig artikel: 1218 | Volgend artikel: 1220 >>

1219 Wolharige neushoorn daalde af uit gebergte
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Aan het einde van de laatste ijstijd verdwenen veel grote zoogdieren. Bekende soorten zijn de mammoet, de reuzenluiaard en de sabeltandtijger. Ook de wolharige neushoorn behoort tot deze uitgestorven megafauna. Over de oorzaken van het uitsterven - zowel wat betreft de oorzaak als het tijdstip - bestaat nog steeds veel discussie (zie onder meer Geonieuws 174, 355, 507, 704 en 774).Veel minder is echter bekend over de herkomst van deze megafauna.

De oudste tot nu toe bekende wolharige neushoorn dateert namelijk slechts van 2,6 miljoen jaar geleden, ongeveer de grens van Plioceen en Pleistoceen. Nu zijn in Tibet echter de resten gevonden van een exemplaar dat 3,7 miljoen jaar geleden leefde. De vondst werd gedaan in het Zanda-Bekken, aan de voet van de Himalaya’s. Het is een van de meest ontoegankelijke gebieden ter wereld, maar het staat onder paleontologen wel bekend als een fossielenparadijs.


Reconstructie (door Julie Naylor)
van de Tibetaanse wolharige neushoorn.

De onderzoekers vonden inderdaad een schat aan fossielen van dieren die tot de megafauna worden gerekend, onder meer van paarden, olifanten en herten. Het meest bijzonder waren echter de complete schedel en de onderkaak van een nieuwe soort van de wolharige neushoorn; die is inmiddels Coelodonta thibetana gedoopt. Het dier was waarschijnlijk zo’n 1,80 m hoog en 3,5-4 m lang. Het bezat twee grote hoorns: een daarvan groeide vanaf het puntje van zijn neus en was ongeveer een meter lang, en een kleinere hoorn groeide tussen zijn ogen. In tegenstelling tot recente neushoorns bezat hij een vacht van lang, dik haar. De gevonden fragmenten geven aan dat dit dier de meest primitieve soort is die tot nu toe bekend is; dat klopt dus met zijn relatief hoge ouderdom.

Onderzoekster Yang Wang heeft de tanden en botten van het dier geochemisch geanalyseerd. Daaruit valt op te maken dat het dier voornamelijk gras at dat op grote hoogte groeide. Hieruit kon ook geconcludeerd worden dat Coelodonta thibetana zich goed had aangepast aan een koud klimaat. Die aanpassing maakte het deze soort mogelijk om, toen de ijstijd aanbrak en de temperatuur daalde, toch een leefgebied te vinden met min of meer dezelfde temperatuur door af te dalen naar lager gelegen gebieden. Of een dergelijke ontwikkeling ook bij andere vertegenwoordigers van de megafauna plaatsvond, is vooralsnog niet bekend.


Mede-onderzoekster Yang Wang.

Referenties:
  • Deng, T., Wang, X., Fortelius, M., Li, Q., Wang, Y., Tseng, Z.J., Takeuchi, G.T., Saylor, J.E., Säilä, L.K. & Xie, G., 2011. Out of Tibet: Pliocene wooly rhino suggests high-plateau origin of ice age megaherbivores. Science 333, p. 1285-1288.

Foto’s: Florida State University, Tallahassee, FL (Verenigde Staten van Amerika)


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl