NGV-Geonieuws 183 artikel 1220

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


September 2011, jaargang 13 nr. 9 artikel 1220

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 183! Op de huidige pagina is alleen artikel 1220 te lezen.

<< Vorig artikel: 1219 | Volgend artikel: 1221 >>

1220 Weer een theorie over het ontstaan van leven op aarde
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

TheorieŽn over het ontstaan van het leven op aarde vallen ruwweg in twee groepen onder te verdelen. Eťn groep betreft theorieŽn die ervan uitgaan dat op een of andere wijze (chemische) bouwstenen van het leven van een ander hemellichaam op aarde terecht zijn gekomen, of dat chemische verbindingen die van elders op aarde terecht kwamen hier de juiste omstandigheden vonden om verbindingen te vormen waaruit het leven zich kon ontwikkelen. Het nadeel van deze theorieŽn is dat ze de vraag over het ontstaan van leven niet fundamenteel beantwoorden: ze roepen immers direct de vraag op hoe die verbindingen dan elders in het wereldruim tot stand kwamen.

De tweede groep theorieŽn is daarom interessanter: ze gaan ervan uit dat op aarde omstandigheden hebben bestaan waardoor natuurlijke processen konden leiden tot verbindingen die zichzelf konden reproduceren, en waaruit zich op den duur primitieve organismen ontwikkelden (die later weer verder konden evolueren). Bij alle theorieŽn van deze tweede groep gaat het vooral om de vraag hoe zich DNA (desoxiribonucleÔnezuur: de drager van het genetisch materiaal) kon ontwikkelen en, daaraan gelieerd, de vraag hoe dat zat met RNA (ribonucleÔnezuur). Deze ingewikkelde moleculen bestaan zelf weer uit bouwstenen (die zelf weer zijn opgebouwd uit kleinere bouwstenen zoals aminozuren) waarvan inmiddels goed bekend is dat die zich door natuurlijke processen kunnen ontwikkelen (zie o.a. Geonieuws 1163).


Een met het blote oog zichtbaar kristal
van een molecuul dat als een van
de voorlopers van RNA wordt beschouwd.

Recente experimenten geven nu aan dat een betrekkelijk eenvoudige combinatie van in de dode natuur voorkomende suikers en aminozuren door natuurlijke, niet-biologische processen kunnen worden omgezet tot wat als voorlopers van RNA kunnen worden beschouwd. Het is in dit verband interessant dat complexe biologische moleculen zoals RNA en eiwitten in zowel een natuurlijke als een onnatuurlijke vorm kunnen bestaan. Deze twee vormen, die enantiomeren worden genoemd, zijn elkaars spiegelbeeld (zo bieden deze verbindingen de mogelijkheid om na te gaan of bepaalde Ďorganischeí verbindingen ook werkelijk in de natuur zijn gevormd).

Door nauwkeurig de chemische processen te bestuderen die plaatsvinden bij de vorming van dergelijke Ďorganischeí verbindingen, konden de onderzoekers bewerkstelligen dat zich natuurlijke enantiomeren vormden die als voorlopers van RNA kunnen worden beschouwd. Dat deden ze door op de juiste tijd de juiste aminozuren van de juiste samenstelling te gebruiken. Deze aminozuren beÔnvloedden de chemische reacties, waardoor enantiomeren ontstonden in de vorm van kristallen die zo groot waren dat ze met het blote oog te zien zijn. De kristallen zijn stabiel, en kunnen dus lang genoeg bestaan om de tijd te overbruggen tot het moment gunstig is om RNA te vormen.

Referenties:
  • Hein, J.E., Tse, E. & Blackmond, G.E., 2011. A route to enantiopure RNA precursors from nearly racemic starting materials. Nature Chemistry 3, p. 704-706.

Foto: University of California, Merced, CA (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl