NGV-Geonieuws 184 artikel 1223

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Oktober 2011, jaargang 13 nr. 10 artikel 1223

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 184! Op de huidige pagina is alleen artikel 1223 te lezen.

<< Vorig artikel: 1222 | Volgend artikel: 1224 >>

1223 Schimmels tastten bomen aan bij Perm/Trias massa-uitsterving
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De grootste massa-uitsterving die bekend is uit de geologische geschiedenis is die plaatsvond op de grens tussen Perm en Trias (P/T-grens), 251 miljoen jaar geleden; de continenten vormden destijds het supercontinent Pangea. Veel mogelijke oorzaken zijn inmiddels genoemd (zie o.a. Geonieuws 943, 1013 en 1144), maar waarschijnlijk speelde extreem grootschalig vulkanisme in SiberiŽ de belangrijkste rol. Daarmee is echter grootschalige afsterven van de flora niet gemakkelijk te verklaren. Een mogelijke oorzaak daarvoor is nu naar voren gekomen.

Onderzoekers (onder wie Henk Visscher van de Universiteit van Utrecht) troffen namelijk in monsters uit het einde van het Perm draadachtige microfossielen aan die sterke overeenkomsten vertonen met de schimmeldraden van een recent geslacht van schimmels, Rhizoctonia. Dit geslacht omvat soorten, zoals Rhizoctonia solani, die planten Ďaanvallení en doen afsterven. Ze tasten de wortels, steel of stam en bladeren aan bij een zeer gevarieerde groep planten, en op basis van de essentiŽle rol die ze nu spelen bij het verdwijnen van bosgebieden, mag worden verondersteld dat ze op zín minst het afsterven van bomen aan het einde van het Perm aanzienlijk hebben versneld.


Een aggregaat van Reduviasporonites stoschianus
uit gesteenten van het bovenste Perm
(foto Laboratorium voor Paleobotanie en Palynologie,
Universiteit van Utrecht).


Schimmeldraden van de recente schimmel Rhizoctonia solani
(links) lijken sterk op die van de ruim 250 miljoen jaar
oude Reduviasporonites (rechts)
(foto Lane Tredway, The American Phytopathological Society).


Indien dat inderdaad het geval was, moet dat een enorme invloed hebben gehad, want coniferen bedekten destijds het hele semi-aride gebied van Pangea rond de evenaar. Ze verdwenen (en werden in het Trias uiteindelijk vervangen door vooral mossen en varens) om pas na zoín 4-5 miljoen jaar weer op enige schaal terug te komen.

Niet iedereen is het hiermee eens. Sommige onderzoekers menen dat de draden afkomstig zijn van algen, maar de onderzoekers voeren daar goede argumenten tegen aan. De draden waren overigens al langer bekend en ook door andere onderzoekers aan schimmels toegeschreven, maar die dachten dat het om schimmels ging die profiteerden van afgestorven bomen; de huidige onderzoekers menen daarentegen dat ze juist het afsterven van de bomen veroorzaakten. Overigens zijn ze wel van mening dat de bossen het al langer hard te verduren hadden vanwege de sterke verontreiniging van de atmosfeer als gevolg van de grootschalige vulkanische activiteit. Die zou de ozonlaag hebben kunnen aangetast.

De onderzoekers menen dat hun bevindingen van belang zijn omdat de huidige verandering van het klimaat, vooral op plaatsen waar dat leidt tot hogere temperaturen en meer droogte, zou kunnen leiden tot een verhoogde activiteit van ziekteverwekkende bacteriŽn in de bodem, waardoor bomen kunnen worden aangetast.

Referenties:
  • Visscher, H., Sephton, M.A. & L00y, C.V., 2011. Fungal virulence at the time of the end-Permian biosphere crisis? Geology 39, p. 883-886.

Fotoís: University of California, Berkeley, CA (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl