NGV-Geonieuws 184 artikel 1224

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Oktober 2011, jaargang 13 nr. 10 artikel 1224

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 184! Op de huidige pagina is alleen artikel 1224 te lezen.

<< Vorig artikel: 1223 | Volgend artikel: 1225 >>

1224 Parareptielen leden niet extra onder de Perm/Trias massa-uitsterving
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Het is niet meer dan logisch dat de grootste massa-uitsterving die bekend is uit de geologische geschiedenis, 251 miljoen jaar geleden, onderzoekers blijft aantrekken. Stukje voor stukje wordt zo de puzzel in elkaar gepast, zowel wat betreft de oorzaken (zie o.a. Geonieuws 1223) als de gevolgen (zie o.a. Geonieuws 1134). Duidelijk is inmiddels dat zo’n 95% van de mariene organismen uitstierf, en zo’n 70% van het leven op de continenten. Maar lang niet alle groepen werden in gelijke mate getroffen. Zo blijkt nu dat van de zogeheten parareptielen niet meer soorten verdwenen dan op andere momenten in de 90 miljoen jaar dat ze bestonden.

Parareptielen vormden een merkwaardige groep van qua uiterlijk sterk uiteenlopende, vaak bizarre, op het land levende vertebraten. Sommige soorten waren klein, slank en vlug zoals hagedissen, terwijl andere het formaat van een neushoorn hadden. Veel soorten hadden knobbelige ‘versieringen’ en bot-achtige uitsteeksels op hun schedel.


Skelet van de Scutosaurus,
een van de vele soorten parareptielen
(tekening Mike Benton).

Hun evolutie ging met vallen en opstaan. Keer op keer verdwenen ze grotendeels, maar alleen om daarna in nog gevarieerder vorm terug te komen. Dat was ook het geval bij de massa-uitsterving op de P/T-grens. Ze kwamen, zoals zo vaak eerder in de 40 miljoen jaar daarvoor, weer terug om pas 50 miljoen jaar later uit te sterven. Waarom het zo vaak mis leek te gaan met deze merkwaardige groep is vooralsnog onduidelijk. Evenmin is het onduidelijk waarom hun terugslag op de P/T-grens niet groter was dan anders, terwijl zoveel dieren van het toneel verdwenen. Dat gebrek aan inzicht hangt waarschijnlijk samen met de weinige kennis die er is over deze groep van vertebraten. Dat lijkt op het eerste gezicht merkwaardig, want niet alleen vertoonden de diverse soorten sterke morfologische verschillen, maar ook zijn er veel restanten van deze diergroep bekend. Wat dat betreft lijkt er weinig verschil met de dinosauriërs, die ook zo’n grote verscheidenheid aan soorten kennen, en waarvan ook veel vondsten bekend zijn. Van de biologie van dino’s is inmiddels juist heeft veel bekend. Dat moet waarschijnlijk worden toegeschreven aan de veel grotere interesse van het brede publiek en de media voor dino’s, waarvan vooral de grote soorten sterk de aandacht trekken. Dat heeft geleid tot aanzienlijke fondsen voor dino-onderzoek. De parareptielen lijken daar een beetje het slachtoffer van geworden. Maar gezien het bizarre uiterlijk dat veel van deze dieren gehad moeten hebben, zou het goed kunnen dat ze, wanneer de dino-hype wat is geluwd, het stokje van hen overnemen.


Reconstructie van de parareptielen
Inostrancevia en Scutosaurus.

Referenties:
  • Ruta, M., Cisneros, J.C., Librecht, T., Tsuji, L.A. & Müller, J., 2011. Amniotes through major biological crises: faunal turnover among parareptiles and the end-Permian mass-extinction. Palaeontology 54, p. 1117-1137.

Illustratie: University of Bristol, Bristol (Groot-Brittannië).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl