NGV-Geonieuws 185 artikel 1234

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


November 2011, jaargang 13 nr. 11 artikel 1234

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 185! Op de huidige pagina is alleen artikel 1234 te lezen.

<< Vorig artikel: 1233 | Volgend artikel: 1235 >>

1234 Zuurstof maakte dwergen tot reuzen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Een van de bekendste groepen microfossielen zijn de foraminiferen. Ze evolueerden snel en zijn daarom goed bruikbaar voor datering van sedimenten. Foraminiferen zijn eencellige organismen die een schaaltje vormen dat meestal de vorm heeft van een klein ammonietje. Over de aard van foraminiferen wordt nog steeds getwist. Sommige onderzoekers beschouwen ze als amoeben, andere als protisten. Binnen de foraminiferen kunnen diverse groepen worden onderscheiden, waaronder de uitgestorven groep van de fusulinen (Fusulinoidea).


In de juiste doorsnede lijken de
meeste fusulinen op zeer kleine ammonietjes.


Schuine doorsnede door een foraminifeer.


Deze groep van fusulinen omvatte tot ongeveer 300 miljoen jaar geleden (Laat-Carboon) alleen kleine soorten. Maar toen ontstonden er, binnen betrekkelijk korte tijd, reusachtige soorten, tot wel 10 cm lang. Het volume van sommige soorten werd dan ook wel duizend keer zo groot als dat van hun voorouders. Deze opvallende ontwikkeling van gigantisme viel samen met een minstens zo opvallende verandering van de atmosfeer: die werd destijds zo rijk aan zuurstof dat hij bijna spontaan in brand kon schieten. Die extreem zuurstofrijke atmosfeer leidde er uiteraard toe dat ook het zeewater (waarin de fusulinen aan de oppervlakte leefden) zuurstofrijker werd. Bij enkele andere diergroepen ontstond in die tijd ook gigantisme, maar dat was toch zeer beperkt (al zijn er uit die periode wel fossiele duizendpoten bekend van meer dan een meter lang, amfibieën van meer dan twee meter, en libelles met een spanwijdte van ruim 70 cm). Er kan dus niet worden gesteld dat een zeer zuurstofrijke atmosfeer automatisch tot gigantisme leidt. Toch waren het extreme gigantisme bij de fusulinen (en enkele andere diersoorten) en de zuurstofrijke atmosfeer voor veel onderzoekers reden om een oorzakelijk verband aan te nemen. Dat verband kon echter tot nu toe niet worden aangetoond.

Een grootschalig onderzoek heeft daarin nu verandering gebracht. Daarbij werden de uit laagjes opgebouwde schaaltjes onderzocht van meer dan 1800 foraminiferensoorten die tussen 325 en 250 miljoen jaar geleden leefden. Uit dat onderzoek bleek dat een belangrijk aantal van de grootste soorten steeds groter werd naarmate het atmosferisch zuurstofgehalte toenam. Deze soorten bereikten hun maximale afmetingen toen de zuurstofconcentratie zijn piek bereikte (66% meer zuurstof dan nu); toen de zuurstofconcentratie weer afnam, nam ook de grootte van de grootste soorten weer af: een duidelijke aanwijzing voor een causaal verband.

Dat de zuurstof het organisme goed moest kunnen bereiken blijkt ook uit de vorm van de schaaltjes: die groeiden niet ballonvormig uit, maar bleven plat (max. 2 mm dik); de vergroting werd verkregen door uitgroei in de lengte. Zo kon de zuurstof gemakkelijk de levende cel bereiken.


Enkele uitzonderlijk grote
(‘gigantische’) Permische fusulinen.

Referenties:
  • Payne, J.L., Groves, J.R., Jost, A.B., Nguyen, T., Myhre, S.B., Hill, T.M. & Skotheim, J.M., 2011. Late Paleozoic fusulinoidean gigantism driven by atmospheric hyperoxia. Geological Society of America Abstracts with Programs 43 (5), p. 556.

Foto schuine doorsnede: John Groves; foto ‘giganten’: United States Geological Survey.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl