NGV-Geonieuws 186 artikel 1245

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


December 2011, jaargang 13 nr. 12 artikel 1245

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 186! Op de huidige pagina is alleen artikel 1245 te lezen.

<< Vorig artikel: 1244 | Volgend artikel: 1246 >>

1245 Reactie op: Geonieuws 1240 “Inslag lijkt toch niet enige oorzaak van uitsterven dino’s”
Auteur: Prof Jan Smit, VU Amsterdam

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

“Jan Smit is aan zet” schrijft Tom van Loon uitdagend, in zijn geonieuws 1240, daarbij doelend op een recent artikel van o.a. Gerta Keller in EPSL (en een uitgebreider artikel in het journal van de Indiase geologische dienst).

En bij deze pak ik de handschoen op!

Dat Gerta Keller ‘overtuigend’ overkomt is buiten kijf, maar dat haar “bewijzen” dat ook zijn, daar kan je grote vraagtekens bij plaatsen, en menigeen is daar al ingetrapt.
Het artikel van o.a. Keller is overigens tamelijk teleurstellend, er komt geen enkel nieuw gegeven naar voren, sterker nog, de resultaten lijken als twee druppels water op andere bekende secties, o.a. Caravaca en Zumaya in Spanje en Kef in Tunesië

Maar, schrijft van Loon, ‘de argumenten op basis van de ontwikkeling van de foraminiferen zijn zeer sterk’. Kijk, daar komt hij op mijn eigen terrein, ik ben ooit mijn carrière begonnen met de analyse van (planktonische) foraminiferen, en hun uitsterven heeft geleid tot mijn pad naar de Chicxulub impact. Laten we even de “overtuigende aanwijzingen” onder loep nemen dat de Deccan traps een hoofdrol spelen in de massa-uitsterving op de grens tussen Krijt en Tertiair, en dat “andere meteorietinslagen” daar ook nog een rol in zouden spelen.

Laat ik me beperken tot de volgende punten:
1) Stromen de Deccan traps wel allemaal uit in die korte periode die Keller aangeeft?
2) Wordt het leefmilieu slechter door het (eerste) uitstromen van de Deccan traps?
3) Klopt het verhaal van Keller over de foraminiferen in verband met de Deccan traps?
4) Sterft er überhaupt wel leven uit door toedoen van de Deccan traps?

1) Stromen de Deccan traps wel uit in de korte periode rond de KT grens?
Ton van Loon reproduceert een figuurtje van Keller, dat ontleend is aan een figuur in Chenet et al 2007 in EPSL. (Fig.1).


Fig.1

Ik heb beide figuren op dezelfde schaal naast elkaar gezet, en dan blijkt duidelijk dat Keller die figuur, op zijn zachtst gezegd, nogal selectief heeft ge-“modified after Chenet 2007” zoals ze zelf in het onderschrift zegt. De meetfout van de radiometrische dateringen waar van Loon op doelt, hebben marges van meer dan een miljoen jaar, en de resultaten van de bovenste twee fases overlappen elkaar dan ook volledig, zodat van een onderscheiding van “drie fases” geen sprake kan zijn. Een “overtuigende aanwijzing” is het allerminst, eerder misleiding. Een ander argument tegen al die mega-erupties in korte tijd ligt in het gegeven dat na iedere eruptiefase (elk van de “traps”), de magmakamers onder de erupties weer gevuld moeten worden en dat kost tijd. Gemiddeld is er elke duizend jaar een eruptie, en dat geeft het milieu ruim de tijd om zich te herstellen. Deze afbeelding van de Deccan traps (Fig.2) laat het ook zien, tussen iedere lava zitten gewone sedimentlagen met bodems, die veel meer tijd in beslag nemen dan de eigenlijke eruptie.


Fig.2; Deccan Traps

2) Wordt het leefmilieu slechter door het (eerste) uitstromen van de Deccan traps?
Dat het leefmilieu slechter zou worden van de Deccan erupties, is al sinds de 70’er jaren door Dewey Mclean, en later Courtillot en anderen beargumenteerd. Het is niet zo vreemd om dat te veronderstellen, er zijn goede aanwijzingen dat zowel de Perm-Trias grens als de Trias-Jura grens samenvallen met een grote episode van plateaulava erupties. Maar ook daar rijzen de twijfels (zie Geonieuws 1242). Maar zijn voor die verslechtering aanwijzingen? Courtillot zelf geeft dit plaatje al in de Scientific American van oktober 1990 (Fig.3), waarbij duidelijk blijkt dat de dinosauriërs in India - allemaal endemisch omdat India in die tijd een eiland is - daar vrolijk rondlopen tijdens de uitbarstingen. Net als amfibieën en vissen die toch door velen worden gezien als kwetsbaar voor verzuring van de CO2 en zwavelgassen van de erupties.


Fig.3

In feite geeft dit plaatje precies hetzelfde weer wat Keller nu als ‘nieuw’ brengt, namelijk dat de erupties samenvallen met de KT grens en dus met de Chicxulub impact. Maar dat wisten we al, en nu willen we graag de bijdrage van de Deccan traps kunnen meten. Al die CO2 zou een flinke verzuring van de oceanen veroorzaken, en de koolstof isotopen verhouding in organisch materiaal zou in de oceaan door uitwisseling met de atmosfeer moeten veranderen. We hebben net een proef uitgevoerd aan de Vrije Universiteit, maar daar blijkt geen enkel verband te zijn.

3) Klopt het verhaal van Keller over de foraminiferen in verband met de Deccan traps?
Het kleiner worden, “lilliput effect” van de foraminiferen gedurende de uitstroming van de Deccan traps, naar een climax op de KT inslag laag. Het valt op dat in alle Indiase boorkernen die Keller beschrijft, de preservatie van de foraminiferen allerbelabberdst is, wat te zien is op haar afbeeldingen. Van Loon presenteert dan ook geen plaatje uit haar artikel van exemplaren uit de boorkernen, maar van Ocean Drilling kernen, waar de preservatie geweldig is, maar die niet uit de buurt van de Deccan traps komen(Fig.4).


Fig.4

De abundantie en preservatie van de foraminiferen hangt dan ook nauw samen met de gesteentesamenstelling, en de diepte van het bekken in India. De ‘hoge stress condities’ waar ze het over heeft, kunnen dus ook, en veel overtuigender, door de geringe diepte van het bekken (in de Noordzee komen vrijwel geen planktonische foraminiferen voor!) verklaard worden. Planktonische (daar hebben we het hier steeds over) foraminiferen dobberen aan de oppervlakte van de oceaan, en worden telkens door zeestromen overal heen gevoerd. Tijdelijk kunnen vlak na de erupties in de buurt van India de dobberende foraminiferen even last van erupties in de zee gehad hebben (maar daar blijkt in de buurt van recente vulkanen in de zee helemaal niets van), maar de zeestromingen zullen binnen enkele weken/maanden weer vers zeewater met ongeschonden foraminiferen aanvoeren naar India, die daar deel zullen uitmaken van de slikken op de zeebodem. Die enkele maanden tegen 999.99 normale jaren kunnen dus vrijwel geen enkele invloed op de samenstelling van de fossiele foraminiferen gehad hebben. De diepte van het bekken speelt een overheersende rol. Dit plaatje van Keller zelf( Fig.4) laat de alternatieven zien; Een open oceaan tegenover een marginale, ondiepe zee veroorzaakt eenzelfde verandering als een klimaatverandering of (verondersteld) een vulkanische eruptie. Pakken we er een aantal andere onderzoeken bij, waaronder uit mijn proefschrift uit 1981, Arz 2000, 2006, Arenillas 2000a, b, Molino 2003 etc, dan blijkt er wereldwijd geen enkel consistent “lilliput effect” op te treden gedurende de Deccan erupties, maar verdwijnen ze allemaal, tegelijk, precies op het laagje van Chicxulub met iridium (Fig.5).


Fig.5;Het 2mm dikke Chicxulub ejectalaagje (groen)
uit Agost, Spanje

Ik begrijp ook niet goed waar van Loon die ‘overtuigende argumenten’ uit de ‘foraminiferen’ vandaan haalt. Hij maakt geen onderscheid tussen bentonische (op de bodem levende) en planktonische (aan de oppervlakte dobberende) foraminiferen, terwijl die twee groepen een heel verschillende levenswijze hebben en niet met elkaar te vergelijken zijn. De bodemlevende foraminiferen kunnen wel degelijk last hebben van de vulkanische erupties, omdat ze niet weg kunnen, maar de planktonische worden na de erupties direct weer aangevuld van elders. Paradoxaal is het dan dat de bentonische foraminiferen maar heel beperkt uitsterven op de KT grens, maar de planktonische bijna allemaal. De enige figuur die in Keller’s verhaal te zien is (Fig.6)), is identiek aan wat we overal elders zien, en heel typisch voor een heel ondiepe zee waarGuembelitria (de high-stress tolerante soort, de enige die onbetwist de KT grens overleeft) zich heel goed thuis voelt.


Fig.6

In de open oceaan wordt Guembelitria nooit gevonden, behalve even boven het iridium ejecta laagje. Het oplossen van de fossieltjes in het bovenste deel van het Maastrichtian wordt wel heel gemakkelijk aan vulkanische exhalaties toegeschreven. Maar in iedere KT sectie vindt vlak onder KT oplossing plaats, ook ver van de Deccan traps. Op grond van de sedimentatiesnelheid (Mukhopadhyay, 2007)aldaar in India is na te gaan dat die 20cm dikke “dissolution zone” nooit langer dan 20.000 jaar geduurd kan hebben.


4) Sterft er überhaupt wel leven uit door toedoen van de Deccan traps?
Is er dan helemaal geen invloed van de Deccan traps op de fauna van die tijd te vinden? Dat lijkt heel onwaarschijnlijk gezien de vermeende invloed van dergelijke lavas op eerdere perioden van uitsterven. Het is van groot belang om dat eens goed en degelijk uit te zoeken, en dat gaan we ook doen aan de hand van nieuw ontdekte diepwater secties in Turkije, waar zowel het Chicxulub inslaglaagje over maar liefst 150 kilometer te volgen is, als het moment van het uitstromen van de Deccan lavas. Zetten we wat er nu wel bekend is op een rijtje, dat lijkt het er tot nu toe op dat die invloed heel gering is geweest. Ammonieten en belemnieten lopen in de beroemde Zumaya sectie gewoon door tot vlak onder de inslaglaag. Rudisten lopen wel terug in aantal en soortenrijkdom, en hebben er mogelijk last van gehad. Maar ze lopen al terug in het onderste Maastrichtien, ver voor de Deccan traps. Hetzelfde geldt voor de Inoceramus. Die verdwijnen wereldwijd 3.5 miljoen jaar onder de KT grens. Maar in detail is het allemaal nog niet goed gedocumenteerd, omdat de meeste aandacht naar de KT grens zelf uitgegaan is, en niet wat er tot een half miljoen jaar voor die grens is gebeurd. Het aantal Dinosaurus soorten lijkt af te nemen in het interval van de Deccan traps in Noord Amerika, maar dat bleek een artefact van de fluviatiele sedimentatie. In Europa daarentegen neemt het aantal soorten juist flink toe, met name hadrosauriers (‘duckbills’) komen op het laatse deel van het Maastrichtian erbij.


Fig.7

Hierboven is een samenvattend plaatje gegeven van wat er wanneer plaatsvindt(Fig.7). De verschuiving van de 187Os/188Os verhouding van het oceaanwater wordt gekoppeld aan het uitstromen van de Deccan traps (Ravizza, 2003 Science). Er gebeurt teleurstellend weinig tijdens het eerste uitstromen van de Deccan traps, maar des te meer precies op het moment van de Chicxulub impact.

Er zitten nog veel meer foute beweringen in het artikel van Keller, maar daar gaan we de volgende keer maar op in!

Referenties:
  • Geen Referenties


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl