NGV-Geonieuws 186 artikel 1248

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


December 2011, jaargang 13 nr. 12 artikel 1248

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 186! Op de huidige pagina is alleen artikel 1248 te lezen.

<< Vorig artikel: 1247 | Volgend artikel: 1249 >>

1248 Roofvogels onthullen functie van (sommige) dinoklauwen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Sommige dino’s hadden zeer grote klauwen. Over de functie daarvan is veel gespeculeerd zonder echter veel aanwijzingen te hebben. Zo wordt verondersteld dat de grote klauwen aan de achterpoten van Balaur bondocdienden om prooidieren uit te graven (zie Geonieuws 1082), maar waarom deed hij dat niet met zijn voorpoten? De grote sikkelvormige klauwen aan de voorpoten, zoals bij Baryonyx walkeri waarbij die klauwen wel 30 cm lang werden (zie Geonieuws 1207), worden vaak geïnterpreteerd als wapens waarmee de vleesetende dino’s hun prooien aanvielen, verwondden en mogelijk doodden.

Er zijn echter ook dino’s die aan elk van hun voorpoten één grote sikkelvormige klauw hebben. Dat geldt bijv. voor de dromaeosauriërs, een groep kleine carnivore dino’s waaruit de vogels zijn voortgekomen. Tot deze groep behoren de bekende Velociraptor en de iets grotere Deinosuchus. Van deze dromaeosauriërs wordt gewoonlijk verondersteld dat hun grote klauw diende om een prooi te verwonden of om te helpen in een schuilplaats te klimmen.

Door samenwerking met een evolutionair bioloog van hun eigen universiteit, Robert Kambic, kwamen geologen van de Universiteit van Montana tot een compleet andere interpretatie. Die berust op vergelijking met nu levende adelaars en haviken; die hebben eenzelfde vergrote klauw op dezelfde plaats. Die vogels gebruiken de klauw onder meer om er een eenmaal gevangen prooi aan vast te haken. Door vervolgens met hun lichaamsgewicht te prooi omlaag te drukken en hun vleugels over de prooi uit te spreiden kan zelfs een prooi van gelijke omvang als de roofvogel niet meer ontsnappen. Een positie bovenop een prooi is echter niet erg stabiel; door met hun vleugels te flapperen weten de roofvogels echter ook op een nog bewegende prooi hun evenwicht te bewaren. Net als adelaars en haviken met een grote prooi, hebben ook de dromaeosauriërs die prooi waarschijnlijk nog bij leven ter plaatse - voor zover mogelijk - opgegeten (een kleine prooi wordt door roofvogels gewoonlijk direct gedood en vaak meegenomen naar hun nest, waar ze zich veiliger voelen of hun jongen voeden).


De vorm van de beenderen van de voet van
dino’s hangt samen met defunctie: een lange
middelste teen wijst op rennende dieren
(Gallimimus, links; Allosaurus, midden),
terwijl een sikkelvormige ‘duim’ wijst op stevig
vastgrijpen (Deinosuchus, rechts).


Afgietsel van de rechtervoet van
Deinosuchus, in ‘grijppositie’.


Gezien de nauwe verwantschap tussen dromaeosauriërs en deze roofvogels lijkt het, juist ook vanwege de vergelijkbare ontwikkeling van de klauw en de positie daarvan op dezelfde plek aan de poot, zeer waarschijnlijk dat ook de dromaeosauriërs met hun sikkelvormig klauwen grote prooien het vluchten beletten. Een functie van de klauw als ‘haak’ is des te waarschijnlijker omdat de poten van de dromaeosauriërs veel beter geschikt lijken om te grijpen dan om te lopen, en de middenvoetbeentjes meer gericht zijn op stevigheid en kracht dan op snelheid. Dat is te reconstrueren omdat de meeste dino’s en vogels alleen op hun tenen lopen: de middenvoetbeentjes van dino’s en vogels vormen daarom in feite een onderdeel van de poot. Terwijl lange middenvoetbeentjes bij deze dieren dus zouden bijdragen aan de mogelijkheid om grotere passen te nemen (en dus ook sneller te rennen), zijn die beentjes bij de dromaeosauriërs juist kort. Het beeld dat in veel films wordt gegeven van Velociraptor als een snelle renner, is dus onjuist: ze moeten hun prooi met een andere jachttactiek dan hard rennen hebben bemachtigd. Dat is dus tegengesteld aan de troodontiden, een groep dino’s die aanvankelijk sterk op de dromaeosauriërs leek, maar die in de loop van 60 miljoen jaar een heel andere kant uit evolueerde: hun middenvoetbeentjes wijzen erop dat ze snel waren, maar een minder vaste greep hadden (en dus waarschijnlijk ook kleinere prooidieren vingen).

De al dan niet oudste vogel (Archaeopteryx, zie Geonieuws 1208), die als een tussenschakel tussen de dromaeosauriërs en de moderne vogels kan worden beschouwd, heeft een soortgelijke klauw als hierboven beschreven. Zijn vliegvermogen was echter waarschijnlijk nog beperkt, maar hij kon zeker met zijn vleugels flapperen, wat zal hebben geholpen om zijn evenwicht bovenop een gevangen prooi te bewaren. Het vermogen om met de vleugels te flapperen is vanwege deze functie in de loop van de evolutie steeds verder ontwikkeld, wat uiteindelijk ook kan hebben bijgedragen aan het ontzagwekkende vliegvermogen dat grote vogels (zoals de adelaar) nu hebben.


De rechtervoet van Deinosuchus,
in ‘looppositie’ op vlakke grond.


Roofvogels (en waarschijnlijk ook dromaeosauriërs
zoals Deinosuchus) drukken een grote
gevangen prooi tegen de grond en eten hem ter plaatse.


Referenties:
  • Fowler, D.W., Freedman, E.A., Scannella, J.B. & Kambic, R.E., 2011. The predatory ecology of Deinonychus and the origin of flapping in birds. PloS ONE 6 (12),
  • e28964, doi:10.1371/journal.pone.0028964, 13 blz.

Foto’s: Denver Fowler, Montana State University, Bozeman, MT (Verenigde Staten van Amerika); tekening: Nate Carrol en (rechtsonder) Lee Hall).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl