NGV-Geonieuws 186 artikel 1249

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


December 2011, jaargang 13 nr. 12 artikel 1249

Redactie: George Brouwers tot en met artikel 1023 en vanaf 1024 dr.W.M.L.(Willem) Schuurman

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 186! Op de huidige pagina is alleen artikel 1249 te lezen.

<< Vorig artikel: 1248 | Volgend artikel: 1250 >>

1249 Anomalocaris had er goed het oog op
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Anomalocaris, een dier dat hoogst waarschijnlijk behoorde tot een (inmiddels uitgestorven) groep van de kreeftachtigen en dat in het Cambrium leefde, is de oudst bekende grote rover op aarde. Hij werd tot ongeveer een meter groot, en greep zijn prooi op de zeebodem met twee goed ontwikkelde vangarmen. Hoe hij die prooi verorberde, is onduidelijk, want zijn mond was ongeschikt om daarmee harde brokstukken (bijv. een trilobiet in zijn harde exoskelet) naar binnen te werken (zie Geonieuws 1105). Toch moet hij die op de een of andere manier gegeten hebben, zoals blijkt uit de fragmentjes van trilobieten die in zijn gefossiliseerde uitwerpselen (coprolieten) zijn aangetroffen.


Reconstructie (door Katrina Kenny) van Anomalocaris.


Fossiel van Anomalocaris uit de
mid-cambrische Mt Stephen Trilobite Beds
nabij Field (Brits Columbia, Canada).


Nu blijkt dat het dier op een ander gebied wél heel goed ontwikkeld was. Fossielen van het dier die gevonden zijn op Kangoeroe Eiland (Zuid-Australië) vertonen namelijk exceptioneel goed gepreserveerde ogen. En die ogen blijken zo goed ontwikkeld te zijn dat ze minimaal een zicht opleverden dat gelijk is aan dat van de meeste recente insecten en kreeftachtigen.

De ogen van Anomalocaris zaten op steeltjes, vergelijkbaar met de ogen van veel recente slakken. Het waren facet-ogen van elk tot wel 3 cm groot, en met elk meer dan 16.000 facetten. Dat betekent dat het gaat om facet-ogen die behoren tot de grootste en meest uitgebreide die bekend zijn, zowel uit de geologische geschiedenis als van recente dieren zoals de om hun goede gezichtsvermogen bekende libelles. Die extreem goed ontwikkelde ogen moeten Anomalocaris in staat hebben gesteld om op de ondiepe zeebodem waar hij leefde, en waar nog een redelijke hoeveelheid daglicht moet zijn doorgedrongen, zeer succesvol te jagen op prooidieren, zeker omdat die - voor zover bekend - een veel minder goed ontwikkeld gezichtsvermogen hadden.


Twee ogen van een exemplaar van Anomalocaris.
a: het gefossiliseerde materiaal; b: schematische
weergave met in grijs de oogdelen met facetten;
c: detail van het facet-oog; d: oogdeel met overgang
(zie pijltjes) naar de ‘oogsteel’; e:detail van facetten.
Schaalstreepjes: a en b: 5 mm; c: 1 mm; d: 2 mm; e: 0.3 mm.

Referenties:
  • Paterson, J.R., García-Bellido, D.C., Lee, M.S.Y., Brock, G.A., Jago, J.B. & Edgecombe, G.D., 2011. Acute vision in the giant Cambrian predator Anomalocaris and the origin of compound eyes. Nature 480, p. 237-240.

Foto fossiel: Mark Wilson, College of Wooster, Wooster, OH (Verenigde Staten van Amerika). Reconstructie: University of Adelaide (Australië).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl