NGV-Geonieuws 10 artikel 127

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2001, jaargang 3 nr. 1 artikel 127

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 10! Op de huidige pagina is alleen artikel 127 te lezen.

<< Vorig artikel: 126 | Volgend artikel: 128 >>

127 Tand van fossiele reuzenvampier wijst op temperatuurstijging
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

In de omgeving van Buenos Aires was het zon 300 jaar geleden minstens 2 C warmer dan nu. Daardoor konden vleermuissoorten zich verder zuidwaarts verspreiden dan nu het geval is. Dat blijkt uit de vondst van de hoektand van een inmiddels uitgestorven vleermuissoort van het geslacht Desmodus. Het gaat om een exemplaar dat, op grond van de kenmerken van de tand, nauw verwant moet zijn geweest aan de huidige soort Desmodus draculae, een - zoals de naam al suggereert - van bloed levende soort (in mei 1998 waren exemplaren van deze soort op een tentoonstelling in het Haagse Museon in levende lijve te bewonderen). Mogelijk moet hij zelfs tot deze soort worden gerekend. Een reconstructie van het fossiele exemplaar wijst echter uit dat hij minimaal een kwart groter moet zijn geweest dan de huidige Argentijnse vampiers.

Het exemplaar werd aangetroffen in een pakket dat reeds geruime tijd nauwkeurig wordt onderzocht op restanten van zoogdieren. Doel daarvan is om een beter beeld te krijgen in de temperaturen van de laatste paar eeuwen. Uit het pakket waren al eerder tal van resten vrijgemaakt, vooral van knaagdieren. Die werden hoofdzakelijk aangetroffen in een niveau dat volgens C-14-dateringen 71545 jaar geleden werd gevormd. De gevonden hoektand van de reuzen-
vampier - zoals hij door de Argentijnse paleontologen wordt omschreven - komt uit een iets hoger niveau, dat (ook volgens C-14-datering) ongeveer 300 jaar geleden ontstond.

Volgens de onderzoekers is er geen enkele reden om aan te nemen dat het fossiele exemplaar behoorde tot een soort die andere temperatuurcondities prefereerde dan de huidige soorten van Desmodus, waarvan het verspreidingsgebied eindigt waar de minimale waarde van de juli-isotherm 12 C bedraagt. De vindplaats van het fossiele exemplaar ligt echter zon 600 km zuidelijker dan die isotherm, wat inhoudt dat die isotherm destijds minimaal diezelfde afstand zuidelijker lag; ten opzichte van het oudst bekende fossiele exemplaar van Desmodus draculae is die afstand zelfs ruim 2000 km; deze soort heeft nu een uiterste verspreiding tot een minimale juli-isotherm van 8 C.

De onderzoekers concluderen dat, in de 300 jaar die verlopen is na de dood van het fossiele exemplaar, de temperatuur ter plaatse in de winter minimaal 2 C hoger moet zijn geweest dan thans, en de zomertemperatuur 2-4 C; dat houdt in dat 300 jaar geleden een subtropisch klimaat heerste waar nu een gematigd-warm klimaat heerst.

Referenties:
  • Pardias, U.F.J. & Tonni, E.P., 2000. A giant vampire (Mammalia, Chiroptera) in the Late Holocene from the Argentinean pampas: palaeoenvironmental significance. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 160, p. 213-221.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Hoektand van fossiele reuzenvampier wijst op warmere winter' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (26 augustus 2000).


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl