NGV-Geonieuws 10 artikel 128

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2001, jaargang 3 nr. 1 artikel 128

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 10! Op de huidige pagina is alleen artikel 128 te lezen.

<< Vorig artikel: 127 | Volgend artikel: 129 >>

128 Inslagen van meteorieten deden aarde niet branden
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Tot de grote rampen die de aarde in de loop van de geologische geschiedenis hebben getroffen, behoren zeker enkele inslagen van hemellichamen. De grootste inslagen hebben zulke grote effecten gehad op het leven op aarde, dat fauna en flora voor een groot deel uitstierven. De momenten van inslag van dergelijke hemellichamen wordt dan ook vaak gebruikt als grens tussen twee opeenvolgende geologische intervallen (periodes, tijdvakken, etc.). Over de directe oorzaken van het massale uitsterven na een grote inslag bestaat nog veel onduidelijkheid. Vaak wordt gesuggereerd dat de enorme energie die vrijkomt zou hebben geleid tot allesverzengende branden, waardoor geen voedsel meer aanwezig zou zijn.

Deze hypothese houdt echter geen stand na een onderzoek door Timothy Jones (van de Universiteit van Cardiff) en Bo Lim (namens de OESO medewerker aan het IPCC-project). Zij komen tot hun conclusie na analyse van houtskool dat dateert uit een relatief kleine inslag gedurende het Mioceen, en van houtskool dat is aangetroffen op de grens tussen Krijt en Tertiair, de grens die bij uitstek zo geprononceerd zou zijn door een gigantische inslag).

Het blijkt dat het onderzochte materiaal dat uit de Miocene inslagkrater bij Ries kwam, en dat tot nu toe (macroscopisch) was gedetermineerd als houtskool, geen houtskool is. Er kan volgens de onderzoekers dus zelfs niet worden vastgesteld dat er locale branden als gevolg van de inslag zijn ontstaan.

Van de Krijt/Tertiair-grens is wel echte houtskool bekend. De onderzoekers hebben zulk materiaal van vijf bekende vindplaatsen geanalyseerd. Ze vonden daarbij dat in 53% van de onderzochte fragmenten weliswaar sprake was van houtskool, maar dat dat bestond uit materiaal dat voorafgaand aan de verbranding een proces van biodegradatie (in gewone woorden: verrotting, vertering) had doorgemaakt. De organismen waren dus reeds lang dood voordat ze verbrandden. Evenmin vonden de onderzoekers morfologische aanwijzingen voor het verbranden van levend plantaardig materiaal

Op basis van deze analyses komen de onderzoekers tot de conclusie dat er minimaal maanden, maar waarschijnlijk jaren of zelfs tientallen jaren moeten zijn verstreken voordat de afgestorven organismen werden aangetast door het vuur waardoor de houtskool werd gevormd. Ze stellen daarom dat er geen enkele objectieve reden is om aan te nemen dat de grote inslagen in het geologisch verleden gepaard gingen met extreem uitgebreide branden.

Referenties:
  • Jones, T.P. & Lim, B., 2000. Extraterrestrial impacts and wildfires. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 164, p. 57-66.


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl