NGV-Geonieuws 11 artikel 140

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juni 0, jaargang 3 nr. 2 artikel 140

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 11! Op de huidige pagina is alleen artikel 140 te lezen.

<< Vorig artikel: 139 | Volgend artikel: 141 >>

140 Veel ijsbergen aan einde Jonge Dryas door jökulhlaups
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Op het einde van de Jonge Dryas (het laatste deel van de laatste ijstijd) en het begin van het Preboreaal (het begin van het Holoceen), toen de temperatuur snel opliep, nam de omvang van de landijskappen snel af. Waar deze in zee eindigden, moeten vaak grote ijsbergen door afkalving zijn afgebroken en weggedreven. Tot die conclusie komen IJslandse onderzoekers die het milieu van zuidelijk IJsland uit die tijd hebben gereconstrueerd. Zij gebruikten daartoe de lithologische karakteristieken en de dateringen van twee afzettingen (een morenecomplex bij Búdi en meer-afzettingen bij Ofærugil), alsmede de boorgegevens van een kern uit het Hestvatn-meer. Deze bronnen wezen op het frequente voorkomen in die tijd van jökulhlaups. Dat zijn catastrofale waterstromen uit glaciale meren (het IJslandse woord 'jökul' betekent 'gletsjer' en 'hlaup' betekent 'stroom'); die kunnen onder het ijs ontstaan (bijv. wanneer snel ijs smelt door een vulkanische uitbarsting onder het ijs) of voor het ijsfront (bijv. doordat een dam van dood-ijs of morenemateriaal doorbreekt).

In deze tijd strekten zich nog dunne gletsjertongen van de zich terugtrekkende IJslandse ijskap via het uitgeschuurde systeem van glaciale dalen uit tot in een baai die zich destijds bevond waar nu het zuiden van IJsland ligt (de relatieve zeespiegel lag ter plaatse toen zo'n 70 m boven de huidige omdat IJsland onder het gewicht van de ijskap gedurende het Weichselien diep was weggedrukt). In kleinere dalen was het ijs verder teruggetrokken. In die dalen, stroomafwaarts van de belangrijkste morenes, trad veelvuldig aanzienlijke erosie op doordat zich jökulhlaups ontwikkelden wanneer ergens een dam doorbrak die het water uit een van de talloze meren in deze onregelmatig gevormde dalen tegenhield. Niet alleen in de dalen werden hierdoor nieuwe geulen uitgeschuurd, maar ook in de kustafzettingen trad hierdoor sterke erosie op. Dat ging uiteraard gepaard met afzetting van het meegevoerde materiaal verder stroomafwaarts, waar zich chaotisch gelaagde zand- en siltafzettingen opbouwden.

Het frequent doorbreken van dammen van de meren wijten de onderzoekers aan vulkanisme (ze gaan dus uit van ijsdammen). Ze menen dat de jökulhlaups zo krachtig waren, dat ze invloed uitoefenden op de ijstongen die zich tot in zee uitstrekten, en daar grote delen van deden afkalven. Dat die afkalving plaatsvond, is bekend uit boorgegevens uit het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan. Daarin komen veel niveaus voor met puin dat via ijsbergen moet zijn aangevoerd, en dat, bij het geleidelijk smelten van het ijs, in zee bezonk.

Referenties:
  • Geirsdóttir, A., Hardardóttir, J. & Sveinbjörnsdóttir, A.E., 2000. Glacial extent and catastrophic meltwater events during the deglaciation of southern Iceland. Quaternary Science Reviews 19, p. 1749-1761.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl