NGV-Geonieuws 11 artikel 143

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juni 2001, jaargang 3 nr. 2 artikel 143

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 11! Op de huidige pagina is alleen artikel 143 te lezen.

<< Vorig artikel: 142 | Volgend artikel: 144 >>

143 Opwarming in geologisch verleden niet alleen door meer CO2 in de atmosfeer
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Uit tal van onderzoeken is duidelijk geworden dat er gedurende de laatste 400.000 jaar een redelijke tot goed verband bestaat tussen de temperatuur op aarde en de concentratie van CO2 atmosfeer. Dat verband lijkt echter niet op te gaan voor het Tertiair, en mogelijk ook niet voor het begin van het IJstijdvak (Pleistoceen); de concentratie varieerde toen tussen ruwweg 300 en 3000 ppm (deeltjes per miljoen), maar de 'bijbehorende' temperatuurfluctuaties zijn - voor zover bekend - niet opgetreden.

Wellicht zijn sommige van de toegepaste parameters voor het bepalen van de vroegere temperatuur of juist de vroegere CO2-concentratie niet betrouwbaar. Daarom heeft een team van Amerikaanse en Engelse onderzoekers een heel nieuwe methode toegepast om de vroegere CO2-concentratie te bepalen. Ze deden dat aan de hand van een parameter die in ieder geval voor recente tijden heel goed opgaat: de concentratie van huidmondjes (stomata) op bladeren. Die huidmondjes spelen een rol bij de uitwisseling van gassen (zoals zuurstof en koolzuurgas) tussen plant en atmosfeer. Daarom hangt hun onderlinge afstand op bladeren sterk samen met de koolzuurgasconcentratie.


GINKGO BILOBA

De onderzoekers analyseerden de huidmondjes van bladeren die uit een aantal relatief warme tijdsintervallen stammen gedurende het Mioceen en de grens Paleoceen/Eoceen. Daartoe analyseerden ze eerste de relatie tussen de dichtheid van de huidmondjes en de daarmee corresponderende CO2-concentratie voor bladeren van de recente soorten Ginkgo biloba en Metasequioa glyptostroboides. Daarna deden ze hetzelfde bij de twee fossiele soorten (G. adiantoides en M. occidentalis) die het meest met de recente soorten overeenkomen. Ze vonden daarbij dat de huidmondjes van deze soorten wijzen op een CO2-concentratie van 300-450 ppm (op een enkele uitzondering na); dat is dus een relatief lage waarde, terwijl vanwege de hoge temperatuur juist een lage CO2-concentratie te verwachten zou zijn.

De conclusie is dan ook dat opwarming - zoals we die ook nu - zij het in geologisch perspectief op zeer bescheiden schaal - kennen, niet alleen afhankelijk kan zijn van een toename van koolzuurgas in de atmosfeer. Voor een dergelijke opwarming zijn kennelijk ook andere factoren nodig. Als er al een broeikaseffect zou optreden (maar er zijn aanwijzingen dat we eerder naar een nieuwe 'kleine ijstijd' dan naar een 'broeikastijd' toegaan), dan moeten daarvoor dus (ook) andere oorzaken zijn. Het is van groot belang om daarmee rekening te houden als de overheden het nodig mochten vinden om maatregelen te treffen ter bestrijding van een temperatuurstijging.

Referenties:
  • Royer, D.L., Wing, S.L., Beerling, D.J., Jolley, D.W., Koch, P.L., Hickey, L.J. & Berner, R.A., 2001. Paleobotanical evidence for near present-day levels of atmospheric CO2 during part of the Tertiary. Science 292, p. 2310-2313.


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl