NGV-Geonieuws 14 artikel 175

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2002, jaargang 4 nr. 2 artikel 175

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 14! Op de huidige pagina is alleen artikel 175 te lezen.

<< Vorig artikel: 174 | Volgend artikel: 176 >>

175 Fossiele zoogdiertand klein maar fijn
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De fossiele tand die bij de stad Tasch-Kömür in Kirgizië werd gevonden is weinig groter dan een speldenknop, maar is niettemin van groot belang. Het gaat namelijk om de tand van een in de evolutie zeer vroeg zoogdier, dat kan worden beschouwd als een voorloper van onder meer de huidige muizen. De tand toont bijzondere karakteristieken, die samen met eerder gevonden botfragmenten een interessant beeld opleveren van de leefomstandigheden en de eetgewoonten van het dier, dat niet meer dan enkele centimeters groot was.


FOSSIELE TAND

Via zoogdierachtige reptielen ontwikkelden de zoogdieren zich kort voor de grens tussen Trias en Jura (210 jaar geleden) uit de reptielen. De nu gevonden tand moet hebben toebehoord aan een zoogdier uit het Midden- of Laat-Jura (180-140 miljoen jaar geleden), toen de zoogdieren nog relatief weinig evolutie hadden ondergaan.

De gevonden resten geven aan dat de tand moet hebben toebehoord aan een nog onbekende soort van de reeds in het Jura uitgestorven groep van de docodonten. Het moet een dier zijn geweest dat onder de grond leefde en veel anatomische karakteristieken deelde met de huidige mollen. De groep van de docodonten, die tot nu toe alleen bekend was uit Europa en Noord-Amerika, wordt gekenmerkt door een gebit met merkwaardig gevormde tanden. Ze bevatten een aantal scherpe toppen, die niet goed verklaarbaar zijn omdat de docodonten waarschijnlijk leefden van zachte organismen zoals wormen en larven. Het hoekige karakter van de tanden vergroot de mogelijkheid tot afbreken. Dat blijkt ook uit de nu gedane vondst. De gevonden tand was ongeveer een millimeter groot. Kort na de vondst werd iets gevonden dat aanvankelijk ook voor een tand gehouden werd, en dat een halve millimeter groot was. Nader (microscopisch) onderzoek wees echter spoedig uit dat beide stukken precies in elkaar passen, en dus samen een tand gevormd moeten hebben.

Het is moeilijk vast te stellen of de twee stukken nog aan elkaar vastzaten toen het dier overleed. De stukken maken namelijk deel uit van ongeveer 15 kg fossiele resten die werden verkregen door het zorgvuldig zeven en uitwassen van 2000 kg zand en modder op de vindplaats. Dat was een enorm karwei, dat plaatsvond in het kader van een van de grootste paleontologische onderzoeksprojecten die ooit zijn uitgevoerd. Het onderzoek ter plaatse, onder leiding van de paleontologen Thomas Martin van de Vrije Universiteit van Berlijn en Alexander Averianov van de Russische Academie van Wetenschappen, werd uitgevoerd met behulp van een groot aantal studenten van de Vrije Universiteit van Berlijn. De merkwaardige tand met zijn drie uitstekende toppen levert, vanwege zijn afwijkende vorm, volgens de betrokkenen een probleem op ten aanzien van de evolutie van het zoogdiergebit.

Referenties:
  • GO Wissen Online, 2001. Säugetierzahn von der Grösse eines Stecknadelknopfs, 25 juni 2001 uit: http:www.g-o.de/kap3a/3bfd0029.htm

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Fossiele tand van mini-zoogdier gevonden in Kirgizië' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (14 juli 2001)

Afbeelding beschikbaar gesteld door T. Martin


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl