NGV-Geonieuws 2 artikel 18

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Maart 1999, jaargang 1 nr. 2 artikel 18

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 2! Op de huidige pagina is alleen artikel 18 te lezen.

<< Vorig artikel: 17 | Volgend artikel: 19 >>

18 Zee was vroeger veel zouter
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Oceanografie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Zeewater is zout omdat er met het zoete rivierwater relatief zeer geringe hoeveelheden zout worden meegevoerd. Dat zout is, vooral in opgeloste vorm, afkomstig van verweerde gesteenten in het stroomgebied van de betrokken rivier. Omdat de verwering altijd doorgaat, en omdat er altijd water naar zee blijft stromen, neemt de hoeveelheid zout in zee dus steeds toe. Dat geldt ook voor het water; de zee loopt echter niet over, want er verdampt, op langere termijn gezien, ongeveer evenveel zeewater als er via rivieren en neerslag in terechtkomt. Wanneer zeewater verdampt, blijft het zout vrijwel geheel achter. Het lijkt dus logisch dat het zoutgehalte in de loop van de geologische geschiedenis steeds verder is toegenomen.

Die hypothese, die vrij algemeen wordt aangehangen, staat op losse schroeven nu blijkt dat de oceanen omstreeks het Midden-ProterozoÔcum (ruwweg 1-2,5 miljard jaar geleden) zo'n anderhalf- tot tweemaal zo zout lijken te zijn geweest als de huidige. Het merendeel van de zoutionen in zee bestaat uit natrium en chloor (die samen keukenzout vormen, NaCl). Het chloor in de vroege oceanen moet grotendeels afkomstig zijn geweest van vulkanische uitbarstingen, waarbij veel zoutzuur (HCl) vrijkwam. Het natrium moet door uitloging van verweerde gesteenten in zee terecht zijn gekomen. In de loop van de geschiedenis zijn er op tal van momenten en op tal van plaatsen grote hoeveelheden zout in zee neergeslagen, bijv. door verdamping van water in ondiepe zeeŽn (zoals nu nog in onder meer de Dode Zee gebeurt). Veel van die zoutafzettingen zijn later door andere gesteenten bedekt, maar ooit moeten ze deel van het in zee voorkomende zout hebben uitgemaakt. Zouden al die 'begraven' zoutvoorkomens weer in zee oplossen, dan zou het zoutgehalte in zeewater met ca. 30% toenemen. Daarnaast bevat al het grondwater bij elkaar nog eens zoveel zout dat, als dat ook in zee terecht zou komen, het zoutgehalte zelfs ongeveer zou verdubbelen.

Volgens een geoloog van Arizona State University was het zoutgehalte in het begin van de aardgeschiedenis inderdaad zo hoog. Hij leidt dat onder meer af uit modellen waarin de vorming van continenten is verwerkt (toen er nog geen continenten waren, kon daar uiteraard ook geen steenzout worden 'begraven'. Tussen 3,2 en 2 miljard jaar geleden nam het zoutgehalte in zee geleidelijk af, op het eind zo vlug dat binnen zo'n 100 miljoen jaar de helft van alle bekende zoutvoorkomens werd gevormd. Pas in de laatste 1 miljard jaar (misschien zelfs halfmiljard jaar) bereikte het zoutgehalte in zee waarden die vergelijkbaar zijn met nu (ca. 3,5%). Dat verklaart volgens hem mede waarom het leven op aarde zich aanvankelijk zo langzaam ontwikkelde: de vroege evolutie vond geheel in zee plaats en het leven op aarde lijkt nauwelijks bestand tegen een hoger zoutgehalte dan zo'n 5% (op enkele extreme levensvormen na, die mogelijk dus afstammelingen zijn van het eerste, in zeer zout water ontwikkelde, leven).

Referenties:
  • Knauth, L.P., 1998. Salinity history of the Earth's early ocean. Nature 395, p. 554-555.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Oceanen hadden vroeger een hoger zoutgehalte' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap en Onderwijs' van NRC Handelsblad (7 november 1998).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl