NGV-Geonieuws 15 artikel 181

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2002, jaargang 4 nr. 3 artikel 181

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 15! Op de huidige pagina is alleen artikel 181 te lezen.

<< Vorig artikel: 180 | Volgend artikel: 182 >>

181 Hoge waterstand Nijl veroorzaakte ondergang van Herakleion en Canopus
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Archeologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De stijging van de zeespiegel sinds het einde van de laatste ijstijd en de daling van de Nijldelta worden vaak genoemd als waarschijnlijke oorzaak voor het onder water verdwijnen van Egyptische steden uit de klassieke oudheid. Maar mogelijk is een heel ander proces voor de ondergang van deze steden verantwoordelijk. Dat blijkt uit onderzoek naar de restanten van de vroeger bloeiende steden Herakleion en Canopus, destijds gelegen aan de rand van de Nijldelta. Het recente onderzoek van ruïnes van deze steden, op zo’n 6-7 m diepte in wat nu de Baai van Abu Qir is, voor de kust van Egypte, wijst tenminste in een heel andere richting. Volgens Jean-Daniel Stanley (van het National Museum of Natural History, een onderdeel van het Smithonian Institution in Washington) en Frack Goddio en Gerard Schnepp (van het Institut Européen d’Archéologie Sous-Marine in Parijs) zijn de steden namelijk verzwolgen door het water toen de Nijl door zijn oeverwallen heenbrak. Zij leveren daarvoor een aantal overtuigende argumenten.

De beide steden beleefden een lange bloeitijd, die van de Griekse tot de Byzantijnse tijd duurde. De bloei was vooral te danken aan hun ligging langs een tak van de Nijl die een belangrijke handelsroute vormde tussen Griekenland en de landinwaarts gelegen steden in Egypte. In de eerste duizend jaar na het begin van onze jaartelling werd deze route echter steeds minder belangrijk, doordat zich nieuwe rivierarmen vormden die beter geschikt waren voor de scheepvaart. Wellicht dat daardoor de beide steden langzaam verarmden, en minder geld beschikbaar hadden om zich tegen de jaarlijks terugkerende hoge waterstanden van de Nijl te beschermen.

In 1999 en 2000 zijn de al eerder gevonden maar nauwelijks onderzochte ruïnes van beide steden aan een uitgebreid onderzoek onderworpen. Hierbij werden diverse geofysische technieken gebruikt, maar ook werden directe waarnemingen gedaan door duikers. Daarnaast werden boormonsters uit het gebied van de beide steden en hun directe omgeving onderzocht. De Nijltak blijkt zich van oost naar west te hebben verplaatst, en daarna weer terug naar het oosten. De verplaatsing, hoe langzaam ook vanuit menselijk oogpunt, leidde tot ruimtelijke problemen, vooral omdat belangrijke gebouwen (zoals tempels) bij voorkeur op de relatief hoge oeverwallen, dicht naast de rivier, waren gebouwd.

In of na 731 (een datering die berust op de ouderdom van de jongste munten die werden gevonden) moeten deze bouwwerken nog intact zijn geweest, maar een buitengewoon hoge waterstand van de Nijl (zeker een meter hoger dan het gewone hoogwaterniveau) in 741 of 742 maakte daaraan een eind. Een eerdere hoge waterstand was al opgetreden in 719 of 720 n.Chr., maar toen kennelijk niet tot grote schade had geleid; dat zou kunnen wijzen op een relatief snelle zijwaartse verplaatsing van de rivierloop tussen 720 en 730.

De opbouw van de ondergrond laat zien dat er grote, gebogen 'wiggen' aan de randen van de oeverwallen ontstonden; ze zijn zo’n 100 m lang, 5 m breed en 2 m diep. Volgens de onderzoekers moeten ze zijn ontstaan doordat de kleirijke afzettingen nabij de gebouwen het begaven, zoals ook nu dijken dat doen bij ongewoon hoge waterstand en onvoldoende onderhoud. Het gewicht van het Nijlwater dat over de zachte en instabiele oeverwallen met zijn sterk humeuze karakter stroomde, heeft waarschijnlijk inzakking en scheuring in gang gezet, met tal van vervolgprocessen, waarbij onder meer plaatselijk waterrijke klei uit de ondergrond als een soort paddestoelachtige structuren (diapieren) omhoog werd geperst. De bodem werd dus steeds instabieler en er moeten volgens de boringen en bodemprofielen dan ook grote vervloeiingen en modderstroomachtige processen hebben plaatsgevonden.

Herakleion en Canopus zijn volgens de onderzoekers dan ook door overstroming ten onder gegaan (dat de restanten thans enkele meters onder zeeniveau liggen, is overigens wel een gevolg van de combinatie van zeespiegelstijging en bodemdaling) op een wijze die nu plaatselijk optreedt in de monding van de Mississippi.

Referenties:
  • Stanley, J.-D., Goddio, F. & Schnepp, G., 2001. Nile flooding sank two ancient cities. Nature 412, p. 293-294.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Herakleion, Canopus gingen onder door overstroming van Nijl' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (4 augustus 2001).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl