NGV-Geonieuws 16 artikel 186

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Maart 2002, jaargang 4 nr. 4 artikel 186

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 16! Op de huidige pagina is alleen artikel 186 te lezen.

<< Vorig artikel: 185 | Volgend artikel: 187 >>

186 Dinoneuzen namen paleontologen lang bij de neus
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

We hebben altijd een verkeerd beeld hebben gehad van de kop, en in het bijzonder van de positie van hun neusgaten van de grote dinosauriŽrs. Dat komt door een vroege - en inmiddels foutief gebleken - interpretatie van hun woonomgeving. Toen de eerste grote dinosaurusskeletten in het begin van de negentiende eeuw werden ontdekt en als zodanig herkend, was de gedachte namelijk dat zulke grote dieren nooit op het land geleefd konden hebben: vanwege hun enorme gewicht zouden ze direct door hun poten zijn gezakt. Inmiddels weten we, door de talrijke vondsten die inmiddels zijn gedaan, dat het grootste deel van de nu bekende reuzendinosauriŽrs wel degelijk op het land leefde.

Omdat de dinosauriŽrs eerder als water- of moerasbewoners werden geÔnterpreteerd, werd bij de interpretatie van het uiterlijk van de kop, op basis van de beschikbare fossiele botten, een beeld werd aangehouden dat in diverse opzichten overeenkwam met min of meer vergelijkbare dieren nu, zoals de krokodil. Die hebben hun neusgaten zo hoog mogelijk zitten, om ook als ze verder vrijwel geheel onder water liggen, toch adem te kunnen halen. Zo hebben vanaf het allereerste begin illustratoren van dinosauriŽrs - tot en met de filmmakers van Jurassic Park en vergelijkbare films - de neusgaten zo hoog mogelijk ingetekend, wat inhield dat die neusgaten veelal ver vanaf het begin van de snuit lagen.

Volgens Lawrence Witmer, een paleontoloog van Ohio University, moet dit beeld volledig worden herzien. Hij herkende dat de vaak enorme 'neusgaten' in de schedel van dinosauriŽrs tal van interpretaties mogelijk maakten wat betreft de positie van de neusgaten aan de buitenzijde. Daarbij kwam hij op basis van zijn onderzoek van de relatie tussen positie en functie van neusgaten bij andere diergroepen tot de conclusie dat het voor dinosauriŽrs gunstig moet zijn geweest als hun neusgaten zo ver mogelijk naar voren hadden gezeten: zo zouden het reuk- en smaakvermogen groter zijn geweest, en zou ook het inwendige neuskanaal langer zijn geweest, wat de mogelijkheid zou hebben geschapen om het bloed dat naar de hersenen stroomde beter af te koelen; bovendien zou het langere neuskanaal uiteraard een meer effectieve filter zijn geweest voor deeltjes die anders in de longen terecht zouden zijn gekomen.

Witmer maakte, om na te gaan om zijn idee van de positie van de neusgaten bij dinosauriŽrs realistisch was, rŲntgenopnamen van 45 dieren, eerst met de met dinoís nauwst verbonden recente groepen: vogels, krokodillen en hagedissen. Daarbij gebruikte hij hulpmiddelen die zowel de neusgaten zelf als het neuskanaal en de beenderen (schedel met daarin het inwendige neusgat) op de fotoís goed zichtbaar maakten. Hij vond daarbij dat in alle gevallen gelijke patronen bestonden, overeenkomstig het beeld dat hij van de dinosauriŽrs had. Als extra controle onderzocht hij echter ook nog de groeven en vergelijkbare verschijnselen die bloedvaten in de benige neusgaten van recente dieren veroorzaken, en hij vergeleek die patronen met soortgelijke markeringen in de schedels van dinosauriŽrs. De overeenkomsten bleken zo treffend dat er eigenlijk niet meer aan valt te twijfelen: op de kop van de dinosauriŽrs stonden de neusgaten ver naar voren, en veel minder hoog dan tot nu toe werd aangenomen. Paleontologen zijn lang bij de neus genomen door de eerste illustratoren. Het gevolg is dat nu eigenlijk alle films, maar ook de illustraties in de vele duizenden boeken over dinosauriŽrs zouden moeten worden herzien.

Referenties:
  • Stokstad, E., 2001. Dinosaur nostrils get a hole new look. Science 293, p. 779.
  • Witmer, L.M., 2001. Nostril position in dinosaurs and other vertebrates and its significance for nasal function. Science 293, p. 850-853.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Neus dinosauriŽrs zette paleontologen op verkeerde been' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (18 augustus 2001).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl