NGV-Geonieuws 18 artikel 196

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 April 2002, jaargang 4 nr. 6 artikel 196

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 18! Op de huidige pagina is alleen artikel 196 te lezen.

<< Vorig artikel: 195 | Volgend artikel: 197 >>

196 Bizonbotten verklaren, via paleoklimaat, Indiaanse volksverhuizingen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Archeologie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Onderzoekers van de Universiteit van Wyoming en van de Geologische Dienst van de Verenigde Staten hebben een verklaring gevonden voor de twee fasen waarin Indianen in Noord-Amerika zo grootschalig over grote afstanden naar nieuwe gebieden reisden, dat van echte volksverhuizingen gesproken kan worden. De eerste van die twee fasen deed zich omstreeks 11.000 jaar geleden voor; de tweede, die langer duurde, kan ruwweg worden gedateerd als 8000-7800 jaar geleden.


BIZONBOTTEN

De onderzoekers hebben bizonbotten onderzocht van een aantal archeologische vindplaatsen. In die botten bepaalden ze de verhouding tussen koolstof-13 en koolstof-12 in het collageen. Die isotopen in de botten vormen de weerslag van de isotopenverhoudingen in het plantaardige voedsel (vnl. Gras) dat de bisons aten. Die isotopenverhouding kan via een aantal tussenstappen worden gebruikt om vast te stellen of planten bij fotosynthese in eerste instantie moleculen met drie of met vier koolstofatomen vormen. Dat is van belang, omdat de planten meer moleculen met drie koolstofatomen vormen in een koel, vochtig klimaat, terwijl ze juist meer moleculen met vier koolstofatomen vormen in een warm, droog klimaat. Zo konden de onderzoekers via de bizonbotten een idee krijgen van de klimaatfluctuaties gedurende een interval van 5000 jaar.

Het blijkt dat de eerste fase van grootschalige verhuizingen, die samenviel met het einde van de Jonge Dryas, gekenmerkt werd door een droger wordend klimaat. De indianen, die tevoren vooral op de hoge vlakten hadden geleefd, konden daar toen kennelijk niet genoeg prooi meer bemachtigen, mogelijk omdat de prooidieren zelf onvoldoende voedsel hadden. De indianen splitsten zich toen op in twee groepen. Een groep stammen vestigde zich in de voetvlaktes van de gebergten; de andere groep ging op de open prairies wonen.

Omstreeks 8000 begon een periode waarin de winters kouder en nog droger werden, terwijl de zomers juist warmer en vochtiger werden. Waarschijnlijk hangt deze klimaatverandering samen met het catastrofale leeglopen van de grote meren die zich voor de ijskap in het noorden hadden gevormd. Dat gebeurde omstreeks 8200 jaar geleden. Het gevolg was dat minder vochtige wind vanuit het noorden werd aangevoerd. De koudere, drogere omstandigheden noopten de indianen toen opnieuw om elders, verder naar het zuiden betere woonsituaties te zoeken.

Referenties:
  • Lovvorn, M.J., Frison, G.C. & Tieszen, L.L., 2001. Paleoclimate and Amerindians: evidence from stable isotopes and atmospheric ciculation. Proceedings of the National Academy of Sciences 98, p. 2485-2490.

Afbeelding uit: http://www.museum.state.il.us/exhibits/midewin/bison02.html


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl