NGV-Geonieuws 1 artikel 2

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Januari 1999, jaargang 1 nr. 1 artikel 2

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 1! Op de huidige pagina is alleen artikel 2 te lezen.

<< Vorig artikel: 1 | Volgend artikel: 3 >>

2 Sterke bodemerosie onderschat, geringe bodemerosie overschat
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

    Klik hier om dit artikel af te drukken !

Om tal van redenen, met als belangrijkste de landbouw en het natuurbeheer, is het van belang om een goed inzicht te hebben in de snelheid waarmee eventuele erosie van een gebied plaatsvindt. Metingen zijn moeilijk, omdat de mate van bodemerosie van plaats tot plaats en van tijd tot tijd kan verschillen; een betrouwbaar onderzoek vergt daarom een uiterst verfijnd netwerk van langdurige metingen, en is dus zeer kostbaar. Mede daarom zijn er talrijke modellen ontwikkeld op basis waarvan de erosiesnelheid in een bepaald gebied kan worden voorspeld.

De praktijk wijst uit, door toetsing van gedane voorspellingen aan de werkelijkheid, dat de nauwkeurigheid van bodemerosiemodellen veel te wensen overlaat. Een onderzoeker van het National Soil Erosion Resarch Laboratory van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw heeft naar het hoe en waarom daarvan een onderzoek uitgevoerd. Daarbij blijkt dat de bestaande modellen voor bodemerosie systematische afwijkingen vertonen: sterke erosie wordt onderschat, geringe erosie overschat. Nog opmerkelijker is dat dit opgaat onafhankelijk van het feit of het gaat om erosie bij afzonderlijke stormen, of het gaat om de totale jaarlijkse 'verlaging' van een gebied, of dat het gaat om de hoeveelheid geŽrodeerde bodem die jaarlijks wordt weggevoerd (gewoonlijk via beken en rivieren). Evenmin lijkt het uit te maken of de gehanteerde modellen berusten op empirische gegevens of dat ze gebaseerd zijn op fysische eigenschappen en processen.

Een en ander betekent dat in werkelijkheid de mate van erosie in uiteenlopende gebieden veel grotere onderlinge verschillen vertoont dan tot nu toe werd aangenomen. Dat is zeker geen probleem waar het gaat om de overschatting van geringe bodemerosie: de betrekkelijk geringe schade die daarbij volgens de modellen zou optreden, blijkt in werkelijkheid dus ook nog eens mee te vallen. De bevinding maakt de problematiek van gebieden met sterke bodemerosie echter nog groter: geplande toekomstige activiteiten zoals landbouw zullen immers met een veel grotere mate van bodemerosie worden geconfronteerd dan nu wordt gedacht. Dat maakt vooral in ontwikkelingslanden, waar de agrarische sector het toch al moeilijk heeft vanwege de beschermde markten in de westerse samenleving, de mogelijkheden van rendabele landbouw nog kleiner dan ze nu al zijn.

Het lijkt daarom noodzakelijk om de bestaande modellen te verbeteren aan de hand van werkelijke waarnemingen, maar dat tevens het inzicht moet worden vergroot in de processen die een rol spelen bij fysische modellering. Onafhankelijk daarvan zullen echter tegelijkertijd maatregelen moeten worden genomen om de erosiesnelheid te temperen in gebieden die aan snelle erosie blootstaan. Anders zou het spoediger dan verwacht wel een te laat kunnen zijn, met woestijnvorming en dergelijke zeer moeilijk omkeerbare, grootschalige processen als gevolg.

Referenties:
  • Nearing, M.A., 1998. Why soil erosion models over-predict small soil losses and under-predict large soil losses. Catena 32, p. 15-22.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl