NGV-Geonieuws 2 artikel 22

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Maart 1999, jaargang 1 nr. 2 artikel 22

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 2! Op de huidige pagina is alleen artikel 22 te lezen.

<< Vorig artikel: 21 | Volgend artikel: 23 >>

22 Discussie laait op: is het dierlijk leven 1,1 miljard jaar oud?
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De afsplitsing van het dierenrijk uit het plantenrijk vond lang geleden plaats. Tot vorig jaar meende men dat het eerste dierlijke leven een kleine 600 miljoen jaar geleden tot ontwikkeling kwam, aan het eind van het Precambrium. Eerder dit jaar werd die grens al enkele tientallen miljoenen jaren naar achteren geschoven, maar nu lijkt ons beeld van de evolutie op een wel zeer dramatische wijze te moeten worden herzien. In India zijn namelijk structuren ontdekt die, ook volgens de op dit gebied als de grote specialist bekend staande Duitse hoogleraar Seilacher, niet anders kunnen worden verklaard dan als sporen van wormachtige organismen. De gesteenten waarin deze structuren voorkomen zouden 1,1 miljard jaar oud zijn, wat impliceert dat deze 'wormen' bijna tweemaal zo lang geleden hebben geleefd als tot nu toe werd beschouwd als het begin van het dierenrijk. Al eerder was op grond van de vergelijking van het DNA van verschillende diergroepen verondersteld dat het dierlijke leven ouder moest zijn dan bekend, maar dat het mogelijk nu zo ver in de aardgeschiedenis teruggaat, komt voor de deskundigen toch als een enorme verrassing.

De structuren waarom het gaat, zijn gevonden in centraal India. Ze komen daarvoor in zandstenen, waar ze evenwijdig aan het laagoppervlak 'kronkelen', op dezelfde wijze waarop wormsporen nu soms op een modderige bodem zichtbaar zijn. Het gaat dus niet om gefossiliseerde resten van organismen zelf, maar om hun sporen. Niet alle paleontologen zijn er dan ook volledig van overtuigd dat de structuren door (macroscopische!) dieren zijn achtergelaten; daar staat tegenover dat niemand een betere verklaring heeft voor de structuren, en dat soortgelijke structuren die voorkomen in jongere gesteenten (frequent vanaf het Onder-Devoon, zo'n 400 miljoen jaar geleden) algemeen als kruipsporen worden erkend.

De structuren moeten volgens de onderzoekers zijn veroorzaakt door een wormachtig organisme, met de dikte van een drinkrietje, dat enkele millimeters onder het sedimentoppervlak rondkroop op de bodem van een ondiepe zee. Het bewoog zich voort via peristaltische samentrekkingen, net zoals wormen nu doen. Zijn positie even onder het bodemoppervlak wijst er volgens de onderzoekers op dat het organisme zich voedde met de vergane, onderste resten van algenmatten die op de zeebodem waren gevormd. De relatief gecompliceerde vorm van voortbeweging betekent dat het organisme al redelijk ver was geëvolueerd; dat zou impliceren dat de oorsprong van het dierenrijk nog veel verder terug in de tijd moet worden gezocht.

Maar is dat werkelijk zo? Binnen drie weken na publicatie van bovenstaande gegevens kwamen er diverse reacties los die toch weer twijfel wekken aan de ouderdom van de sporen (als het al sporen zijn). Het blijkt namelijk dat vrijwel gelijktijdig, door de Indiase paleontoloog Azmi, in gesteenten die iets liggen boven de sporen-bevattende gesteenten die als 1,1 miljard jaar zijn gedateerd (bij tientallen radiometrische onderzoeken die alle tot dezelfde uitkomst luidden) schelpjes zijn aangetroffen. Die schelpjes zijn bekend uit andere formaties, waarvan de ouderdom 540 miljoen jaar is. Er is geen enkele aanwijzing dat er een groot geologisch hiaat zit tussen het pakket met de sporen en het pakket met de schelpjes.

Voor deze tegenstrijdige uitkomsten zijn een aantal mogelijke oorzaken aan te wijzen. Er kan wel degelijk sprake zijn van een groot hiaat, ook al is dat niet herkenbaar (maar daarmee wordt de betrouwbaarheid van karteringen in Precambrische gesteenten wel erg ondermijnd); het kan zijn dat de schelpjes ook 1,1 miljard jaar oud zijn (maar dat lijkt op basis van evolutionaire snelheden, zoals ook vastgesteld met DNA-vergelijkingen, vrijwel onmogelijk; en het kan zijn dat de radiometrische dateringen van 1,1 miljard jaar weliswaar correct zijn, maar dat die zijn uitgevoerd op minerale deeltjes die zelf veel ouder zijn dan het gesteente waarin ze nu voorkomen (maar het zou wel erg toevallig zijn als al die 'oude' korrels dan precies dezelfde ouderdom zouden hebben).

De discussie zal nog wel enige tijd doorgaan, want de eerste levensvormen zijn niet alleen wetenschappelijk van belang, maar trekken ook buiten de paleontologische wereld veel belangstelling. En zulke belangstelling betekent vaak dat er extra geld voor onderzoek ter beschikking komt. Wat dat betreft lijken de betrokkenen er eerder baat bij te hebben om de controverse nog lang te laten voortduren, dan om spoedig tot een algemeen aanvaarde conclusie te komen.

Referenties:
  • Azmi, R.J., 1998. Fossil discoveries in India. Science 282, p. 627.
  • Kerr, R.A., 1998. Tracks of billion-year-old animals? Science 282, p. 19, 21.
  • Kerr, R.A., 1998. Fossils challenge age of billion-year-old animals. Science 282, p. 601-602.
  • Seilacher, A., Bose, P.K. & Pflüger, F., 1998. Triploblastic animals more than 1 billion years ago: trace fossil evidence from India. Science 282, p. 80-83.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl