NGV-Geonieuws 23 artikel 224

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Juni 2002, jaargang 4 nr. 11 artikel 224

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 23! Op de huidige pagina is alleen artikel 224 te lezen.

<< Vorig artikel: 223 | Volgend artikel: 225 >>

224 Zoogdieren leerden kleuren onderscheiden bij jacht op eiwitrijke bladeren
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De belangrijkste oorzaak waarom zoogdieren het vermogen ontwikkelden om kleuren te onderscheiden, was volgens de gangbare inzichten het kleurverschil tussen rijp en onrijp fruit. Die visie moet echter worden herzien: het was het kleurverschil tussen jonge en oude bladeren dat daartoe aanleiding gaf. Dat is althans de mening van Peter Lucas Universiteit van Hongkong en zijn medeonderzoekers, die zij uiteenzetten op een bijeenkomst van paleontologen en microbiologen in Chicago.

De onderzoekers kwamen via een bijzondere wijze van redeneren, in combinatie met bekende gegevens, tot hun conclusie kwamen. Bekend was reeds dat de voorloper van de huidige apen in de Oude Wereld omstreeks 35 miljoen jaar geleden het vermogen tot onderscheid tot het onderscheid van een heel scala aan kleuren ontwikkelden (daarvoor was het kleurenonderscheid vergelijkbaar met dat van rood/groen-kleurenblinden). De apen in Noord- en Zuid-Amerika deden daaraan niet mee, omdat die continenten toen reeds door de inmiddels gevormde Atlantische Oceaan uiteen waren gedreven.


BRULAAP

Gerald Jacobs (van de Universiteit van California) had al in 1996 ontdekt dat de brulapen in de Nieuwe Wereld (het geslacht Alouatta) ook kleuren kunnen onderscheiden. Dat vermogen moet zich dus los van de apen in de Oude Wereld hebben ontwikkeld. In tegenstelling tot bijna alle andere apen, voeden de individuen van dit geslacht zich niet voornamelijk met vruchten, maar met jonge, eiwitrijke bladeren. Deze jonge bladeren hebben een roodachtige kleur, in tegenstelling tot de oudere bladeren, die groen zijn (opmerkelijk maar niet van wezenlijk belang is in dit kader dat de kleurontwikkeling van deze bladeren dus juist omgekeerd is van die van bijna alle vruchten). Het kan dus niet het onderscheid in kleur van rijp en onrijp fruit zijn dat het vermogen tot kleurenonderscheid heeft bevorderd bij deze apen. Andere apen eten weliswaar voornamelijk vruchten, maar bladeren staan op hun menu op de tweede plaats. Dat betekent dat bladeren ook voor de apen in de Nieuwe Wereld aanleiding kunnen zijn geweest om het kleurenonderscheidingsvermogen verder te ontwikkelen. Die evolutionaire ontwikkeling is niet gecompliceerd: er is slechts een verdubbeling voor nodig van een gen om het aantal kleuren te vergroten dat de 'kegeltjes' in het oog kunnen onderscheiden.

De nieuwe theorie werd op de bijeenkomst met gemengde gevoelens ontvangen. Sommige aanwezigen beseften dat er op deze wijze een goede verklaring is gevonden voor het vermogen van de brulapen om allerlei kleuren te onderscheiden. Bij de 'fruit-hypothese' is dat niet verklaarbaar. Er waren echter ook aanwezigen die de hypothese afwezen, zonder echter duidelijk te kunnen maken waarom.

Referenties:
  • Moffat, A.S., 2002. Seeing red. In: A.S. Moffat: New fossils and a glimpse of evolution. Science 295, p. 615.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Kleurenzien bij dieren ontstond door jacht op eiwitrijk blad' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (24 februari 2002).

Afbeelding met toestemming Apenheul


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl