NGV-Geonieuws 25 artikel 231

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Juli 2002, jaargang 4 nr. 13 artikel 231

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 25! Op de huidige pagina is alleen artikel 231 te lezen.

<< Vorig artikel: 230 | Volgend artikel: 232 >>

231 Dino’s woonden niet alleen in warme streken
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Veel dinosauriërs bereikten reusachtige afmetingen, mogelijk ook (indirect) vanwege het warme klimaat waarin ze leefden (zie ook ngv-geonieuws 221). Er moeten echter ook dino’s zijn geweest die in heel wat koudere klimaten leefden. Vondsten van dergelijke 'pooldino’s' zijn echter betrekkelijk schaars, omdat de gebieden die gedurende de bloeitijd van deze dieren (Jura-Krijt) op hoge breedte (d.w.z. dichtbij de polen) lagen ook nu op hoge breedte liggen; vaak zijn het onherbergzame en moeilijk begaanbare gebieden waarin weinig veldwerk mogelijk is. Toch zijn er inmiddels de nodige vondsten gedaan die erop wijzen dat bepaalde soorten dino’s in betrekkelijk barre klimaten hebben geleefd.

Het spreekt vanzelf dat deze 'pooldino’s' zich aan de omstandigheden hebben moeten aanpassen. Waaruit die aanpassing bestond, hangt uiteraard af van de exacte klimatologische condities waaronder ze leefden. Die condities zijn mogelijk wel geweest dan nu op hoge breedte het geval is; zo is wel gesuggereerd dat de helling van de aardas ten opzichte van het vlak van de aardbaan rond de zon anders was dan nu; dat zou dan hebben geleid tot seizoenswisselingen die anders waren dan nu, een gemiddeld iets warmer klimaat dan nu, en gemiddeld meer daglicht per jaar. Voor zo’n duidelijk andere stand van de aardas bestaan echter geen duidelijke aanwijzingen.

Wel zijn er aanwijzingen, onder meer in de vorm van fossiele resten van planten, dat er in de twee gebieden waarvan nu betrekkelijk veel 'pooldino’s' uit het Krijt bekend zijn (zuidoost Australië en de noordrand van Alaska) destijds hogere gemiddelde temperaturen heersten dan nu. In Alaska zou de temperatuur destijds mogelijk zelfs niet onder het vriespunt zijn gekomen. In Australië was dat echter zeker wel het geval: de gemiddelde jaartemperatuur lag daar waarschijnlijk op -2 °C, waarbij overigens een onzekerheidsmarge bestaat van 5 °C. Ook een gemiddelde jaartemperatuur (in het meest extreme geval) van 3 °C is echter behoorlijk laag! Een probleem dat de reconstructie van deze lage temperaturen (met behulp van zuurstof-isotopen) opwerpt, is dat er in Australië tegelijkertijd bomen hebben gegroeid die veel groter waren dan nu in zulke koude gebieden voorkomen. Er blijft over het precieze klimaat en de daarbij behorende flora en fauna dus nog heel wat te puzzelen.

Hoe het ook zij, de Australische 'pooldino’s' hadden wel degelijk enkele opvallende kenmerken. Zo bleven ze, zoals te zien aan hun botten, het hele jaar groeien, wat inhoudt dat ze het hele jaar actief bleven (dus geen winterslaap!). Ook hadden ze een relatief goed ontwikkeld gezichtsvermogen, dat beter was dan dat van de dino’s op lagere breedte. Die eigenschappen maakten hun relatief geschikt om in koude gebieden te overleven.

Voor de Amerikaanse dino’s is wel gesuggereerd dat die zich alleen in de zomer tot op hoge breedte waagden. Het zouden in die visie een soort 'trekdino’s' geweest zijn. In Australië kan dat, vanwege zeearmen, echter zeker niet het geval zijn geweest.

Referenties:
  • Rich, Th.H., Vickers-Rich, P. & Gangloff, R.A., 2002. Polar dinosaurs. Science 295, p. 979-980.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl