NGV-Geonieuws 2 artikel 24

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Maart 1999, jaargang 1 nr. 2 artikel 24

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 2! Op de huidige pagina is alleen artikel 24 te lezen.

<< Vorig artikel: 23 | Volgend artikel: 25 >>

24 Niveau van Titicaca-meer fluctueerde sterk in Holoceen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

    Klik hier om dit artikel af te drukken !

Het hoogste bevaarbare meer ter wereld is het Titicaca-meer in Bolivia, op 3812 m hoogte. Het beslaat een oppervlakte van 8340 km2 (ongeveer een kwart van Nederland) en is plaatselijk tot 280 m diep. Deze uitzonderlijke omstandigheden leiden tot processen die weinig op aarde voorkomen; zo wordt de zonnestraling weinig door de atmosfeer geremd, waardoor de verdamping hoog is. Aangenomen wordt dat de waterstand vooral op peil blijft via regenwater; er stromen namelijk geen rivieren van enige betekenis in het meer uit.

Men heeft lang gedacht dat de neerslag de verdamping niet kan bijhouden en dat het waterniveau dus langzaam moet zakken. Dat zou ook verklaren waarom de belangrijkste ruïnes (van de vroegere stad Tiahuanaco, die zijn bloeitijd kende tussen 500 en 1000 n.Chr.) niet aan het meer liggen, maar zo'n 16 km landinwaarts. Dit beeld moet echter worden herzien op basis van onderzoek van een aantal Boliviaanse en Franse geologen. Zij onderzochten zes boorkernen uit lagen van 8000 jaar oud tot recent, waarbij zij de ontwikkeling van het meer gedurende die periode reconstrueerden op basis van de ostracodensoorten die zij in die boorkernen aantroffen. Ostracoden zijn goede indicatoren voor veranderingen in hun leefmilieu.

Het blijkt dat het Titicaca-meer, dat in feite bestaat uit drie met elkaar verbonden bekkens, omstreeks 8000 jaar geleden een enorme hoeveelheid water te verwerken kreeg die tot een sterke stijging van het waterniveau leidde. Het niveau bleef daarna zo'n 4100 jaar, met kleine fluctuaties, gelijk, maar steeg toen binnen korte tijd opnieuw zeer sterk. Opnieuw volgde toen een periode waarin het wateroppervlak nauwelijks veranderde, totdat zo'n 730 jaar geleden opnieuw een stijging optrad, waarbij het huidige niveau werd bereikt. Dit gebeurde dus nadat de stad Tiahuanaco zijn bloeitijd al enkele honderden jaren voorbij was. De stad kan dus tijdens zijn bloeitijd nooit aan de oevers van het meer hebben gelegen.

Uit de reconstructie van de geschiedenis van het meer komen ook geen andere gegevens naar voren die een verklaring kunnen geven voor de - nu raadselachtig geworden - positie van de vroegere stad. De ostracoden geven weliswaar aan dat er enkele - korte - perioden van grote droogte zijn geweest, maar die zijn zeker niet van belang geweest voor de stad toen die op zijn hoogtepunt was. De belangrijkste traden namelijk op omstreeks 3350 en 350 voor Christus. Deze bevindingen komen overeen met gegevens die elders in Zuid-Amerika, vooral op basis van stuifmeelkorrels, zijn verkregen.

Referenties:
  • Mourguiart, Ph., Corrège, T., Wirrmann, D., Argollo, J., Montenegro, M.E., Pourchet, M. & Carbonel, P., 1998. Holocene palaeohydrology of Lake Titicaca estimated from an ostracod-based transfer function. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 143, p. 51-72.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl