NGV-Geonieuws 2 artikel 25

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Maart 1999, jaargang 1 nr. 2 artikel 25

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 2! Op de huidige pagina is alleen artikel 25 te lezen.

<< Vorig artikel: 24 | Volgend artikel: 26 >>

25 Andere stand van aardas mogelijk oorzaak van vergletsjering van de tropen gedurende het vroege Precambrium
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie ! Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Grote delen van de aarde zijn gedurende het Pleistoceen een of meer bedekt geweest door een ijskap. Dat gold in het bijzonder voor Antarctica en het noorden van Europa en AziŰ, hoewel ook elders grote vergletsjeringen optraden. In essentie waren het echter de gebieden rondom beide polen die met grote ijsmassa's werden bedekt. Dat hangt uiteraard samen met het feit dat de poolgebieden relatief weinig zonnewarmte ontvangen.

In het geologische verleden is dat wellicht anders geweest. Er is al eerder vastgesteld dat in vroegere ijstijden ook gebieden op lage breedte waren vergletsjerd, zodat het beeld kon ontstaan van een volledig vergletsjerde aarde. Volgens een hypothese van twee (Amerikaanse en Australische) geologen kunnen de vergletsjeringen op lage breedte die plaatsvonden tijdens het Palaeoproterozo´cum (2,4-2,2 miljard jaar geleden) en het Neoproterozo´cum (820-550 miljoen jaar geleden), ook worden verklaard door een andere stand van de aardas. De tropen zouden toen mogelijk het koudste deel van de aarde zijn geweest, als gevolg van het feit dat de hoek tussen de aardas en de baan van de aarde om de zon (ecliptica) toen geen 23,5░ bedroeg zoals tegenwoordig, maar meer dan 54░.

Een dergelijke hypothese vereist natuurlijk ook de beschrijving van een mechanisme waardoor de grootte van genoemde hoek kan veranderen. Daarbij is het in feite, op basis van de nu bekende gegevens, niet eens van belang of die hoek in de loop der tijd groter kan worden, maar wel of hij kan afnemen. Daarin voorzien de opstellers van de nieuwe hypothese inderdaad. Volgens hen kan die hoek zelfs binnen een tijdsbestek van minder dan 100 miljoen jaar inderdaad van 54░ tot 23,5░ zijn afgenomen. De belangrijkste voorwaarde daarvoor is volgens hen dat de continenten gedurende die tijd zodanig over de aardbol lagen gesitueerd dat grote landijskappen op beide polen konden worden gevormd; gedurende het Pleistoceen was dat niet het geval (het Noordpoolgebied bestond vrijwel geheel uit zee), maar gedurende lange tijd was dat anders. De huidige stand van de aardas zou volgens de onderzoekers zeker reeds 430 miljoen jaar geleden zijn bereikt, nadat de hoek van de aardas met de ecliptica waarschijnlijk gedurende een zeer lange tijd in het Precambrium zo'n 49░ had bedragen.

Interessant is in dit kader ook dat de onderzoekers aandacht besteden aan het systeem aarde/maan, waarvan steeds meer bewijzen beschikbaar komen dat het gaat om een echte eenheid. De onderzoekers stellen vast dat de maanbaan een hoek van 5░ maakt met de ecliptica. Deze hoek is volgens hen alleen goed te verklaren als een uitvloeisel van de verandering van de astronomische karakteristieken met betrekking tot de bewegingen van het aarde/maan-systeem gedurende de geologische geschiedenis.

Referenties:
  • Bills, B.G., 1998. An oblique view of climate. Nature 396, p. 405.
  • Williams, D.M., Kasting, J.F. & Frakes, L.A., 1998. Low-latitude glaciation and rapid changes in the Earth's obliquity explained by obliquity-oblateness feedback. Nature 396, p. 453-455.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Tropen vergletsjerd door andere stand van aardas' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (12 december 1998).


Copyright ę NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl