NGV-Geonieuws 2 artikel 26

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Maart 1999, jaargang 1 nr. 2 artikel 26

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 2! Op de huidige pagina is alleen artikel 26 te lezen.

<< Vorig artikel: 25 | Volgend artikel: 27 >>

26 Laatste interglaciaal vertoonde sterke fluctuaties in temperatuur en neerslag
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Volgens bijna alle deskundigen leven we momenteel in een betrekkelijk warme fase (interglaciaal) tussen twee ijstijden (glacialen) in; alleen de vraag wanneer de volgende ijstijd komt staat nog ter discussie. Daarbij vormt menselijke activiteit een complicerende factor, vanwege zijn invloed (bijv. via de uitstoot van broeikasgassen) op het klimaat. Iedere verandering in het klimaat wordt dan ook aangegrepen voor discussies over de noodzaak om in te grijpen in het menselijk handelen, of juist over het natuurlijke karakter van die fluctuaties.

Daarbij gaan beleidsmakers gewoonlijk volstrekt voorbij aan wat er bekend is over het vorige interglaciaal (het Eemien), dat ongeveer 10.000 jaar duurde. Fluctuaties in temperatuur en neerslag gedurende het Eemien kunnen onder meer uit de vegetatiegeschiedenis worden gereconstrueerd, en die vegetatie kan weer worden gereconstrueerd met behulp van stuifmeel. Een uitgebreid onderzoek in Polen en Frankrijk heeft zo interessante gegevens opgeleverd. Daarbij hebben de onderzoekers onderzocht hoe de jaarlijkse neerslag zich ontwikkelde, en hoe de gemiddelde temperatuur van de koudste maand fluctueerde.

Het blijkt dat de wintertemperatuur het hoogst was gedurende de eerste 3000 jaar van het Eemien. Binnen die tijd steeg de januaritemperatuur van -16 C bij de overgang van het Saalien (de voorafgaande ijstijd) tot boven het vriespunt, en na 3500 jaar zelfs tot +4 C (met statistisch niet significante uitschieters tot +8 C). De jaarlijkse hoeveelheid neerslag nam in de eerste 3000 jaar toe van ca. 400 tot ca. 800 mm (een verdubbeling!) en in de volgende 1000 jaar tot 700-1000 mm. De vegetatie veranderde door deze ontwikkelingen drastisch en ging bestaan uit loofbossen waarin eiken (Quercus) en hazelaars (Corylus) domineerden. Daarna daalde de wintertemperatuur binnen 1500 jaar met maar liefst 6-10 C, en de neerslag nam weer af tot 500-700 mm per jaar, zodat tussen 4000 en 5000 jaar na het begin van het Eemien bossen van haagbeuken (Carpinus) zich wijd konden verbreiden. In de laatste 5000 jaar van het interglaciaal varieerde de wintertemperatuur veel minder sterk, namelijk met zo'n 2-4 C, waarbij regionaal grotere verschillen optraden dan daarvoor. Gemiddeld was de januaritemperatuur in deze fase zo'n 2-3 C, terwijl de jaarlijkse hoeveelheid neerslag sterk afnam, tot 200-300 mm per jaar.

Het belang van dergelijk onderzoek is dat er uit blijkt dat, over grote gebieden, sterke temperatuur- en neerslagfluctuaties kennelijk gewoon zijn onder omstandigheden die goed met onze tijd zijn te vergelijken. In het vorige interglaciaal deden zich zelfs snellere temperatuurveranderingen voor dan tegenwoordig; dat betekent uiteraard niet dat de huidige temperatuurstijging niet aan menselijke activiteit is toe te schrijven, maar het is er zeker geen bewijs voor. Hetzelfde geldt voor de hoeveelheid neerslag; hoezeer we momenteel ook gebukt gaan onder uitzonderlijke hoeveelheden, ook in het geologische verleden kwamen dergelijke perioden veelvuldig voor.

Referenties:
  • Cheddadi, R., Mamakowa, K., Guiot, J., Beaulieu, J.-L de, Reille, M., Andrieu, V., Granoszewski, W. & Peyron, O., 1998. Was the climate of the Eemian stable? A quantitative climate reconstruction from seven European pollen records. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 143, p. 73-85.


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl