NGV-Geonieuws 44 artikel 328

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Mei 2003, jaargang 5 nr. 9 artikel 328

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 44! Op de huidige pagina is alleen artikel 328 te lezen.

<< Vorig artikel: 327 | Volgend artikel: 329 >>

328 Enorme voorraden zoet water onder zeebodem
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

    Klik hier om dit artikel af te drukken !

De problemen die al op korte termijn vrijwel mondiaal dreigen met betrekking tot de drinkwatervoorziening, kunnen op zijn minst voor een aanzienlijk deel worden opgelost door zoet water te onttrekken aan gigantische pakketten zoetwaterlichamen die zich op geringe diepte onder de zeebodem bevinden voor tal van kustgebieden. Dat was een van de direct toepasbare uitkomsten van een onderzoek van de hydrogeoloog Koos Groen. Hij kwam tot deze conclusie toen hij de resultaten van zijn onderzoek in de Surinaamse kustvlakte (en in zee daarvoor) toetste aan situaties elders ter wereld. Die bleken op tal van plaatsen vergelijkbaar.

Het gaat om een haast onwerkelijke situatie: onder de Surinaamse kustvlakte blijken zich een soort wigvormige 'zakken' met zout grondwater te bevinden, terwijl zich onder de zeebodem voor de kust juist dergelijke zakken van zoet water bevinden. Deze merkwaardige situatie blijkt te danken aan de zeespiegelfluctuaties die zich gedurende het IJstijdvak (Pleistoceen) hebben voorgedaan: bij uitbreiding van het landijs daalde de zeespiegel tot soms zon 130 m onder het huidige niveau, terwijl in het interglaciaal tussen de laatste en de voorlaatste ijstijd de zeespiegel juist zon 10 m hoger stond.

Van wat zich tijdens eerdere ijstijden en tussenijstijden van het Pleistoceen afspeelde op het gebied van grondwater, valt nauwelijks meer iets te achterhalen. Maar de laatste ijstijd en het daaraan voorafgaande laatste interglaciaal hebben hun sporen duidelijk nagelaten. Gedurende het laatste interglaciaal (Eemien), dat van omstreeks 130.000-115.000 jaar geleden duurde, steeg de zeespiegel zo sterk dat de zee een belangrijk deel van de huidige Surinaamse kustvlakte overstroomde. Er zakte toen zout zeewater in de bodem, dat - vanwege de beperkte tijd dat deze hoge waterstand voortduurde - slechts tot beperkte diepte doordrong. Toen vervolgens de laatste ijstijd optrad (Weichselien, van 115.000-10.000 jaar geleden) viel niet alleen de eerder overstroomde kustvlakte weer droog, maar ook een brede strook daarvoor. Op dat drooggevallen land viel regenwater, dat ook weer in de bodem doordrong, daarbij deels het zoute water verdringend, deels het verder wegdrukkend. Daardoor bestaat er in de huidige kustvlakte nu een 'zak' zout water op verder zoet grondwater, en ook weer met zoet grondwater daarboven. In het zeegebied voor de huidige kustlijn is de situatie precies andersom: op het verder zoute grondwater vormde zich een niveau met zoet water gedurende het Weichselien, en werd dat zoete water weer bedekt met zout water na afloop van de laatste ijstijd.

De 'zak' met zout grondwater onder de kustvlakte is alleen maar lastig: de drinkwatervoorziening van Paramaribo heeft er mee te kampen. Het zoete grondwater, dat voorkomt tot 90 km uit de kust, is daarom des te belangrijker. Het vormt als het ware een reservoir van drinkwater en van iets brak water dat met een geringe mate van ontzilting tot drinkwater is om te vormen. Groen voerde hieraan enige berekeningen uit waaruit blijkt dat dit water economisch is te exploiteren indien de schaal waarop dat gebeurt een redelijke omvang heeft.

Er is geen reden om aan te nemen waarom een dergelijke schaal niet haalbaar zou zijn. Voor de kust van Suriname gaat het om een hoeveelheid 'onderzees' grondwater dat voldoende is om de behoefte van Suriname, op basis van het huidige gebruik, nog zon 200.000 jaar te dekken. Natuurlijk heeft Suriname een betrekkelijk gering aantal inwoners. Maar bijv. voor de kust van New Jersey komt een vergelijkbare zak zoet onderzees grondwater voor, die voldoende is om het (huidige) gebruik van New York voor 800 jaar te dekken. Ook in zuidoost-Azi en op tal van andere plaatsen komen vergelijkbare situaties voor. Het werk van Groen kan daarom een keerpunt betekenen in het mondiale denken over de toekomstige drinkwatervoorziening.

Referenties:
  • Groen, J., 2002. The effects of transgressions and regressions on coastal and offshore groundwater. Proefschrift Vrije Universiteit (Amsterdam), 192 pp.


Copyright NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl