NGV-Geonieuws 46 artikel 337

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juni 2003, jaargang 5 nr. 11 artikel 337

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 46! Op de huidige pagina is alleen artikel 337 te lezen.

<< Vorig artikel: 336 | Volgend artikel: 338 >>

337 Kleiner ozongat boven Antarctica door opwarming zuidelijk halfrond
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Na de toch al warme winter (onze zomer!) van 2002 op het zuidelijk halfrond volgde een septembermaand die (vooral na de 20e) nooit eerder zo warm was geweest. Het gevolg was een abnormale afname van het ozongat boven de zuidpool. Een Amerikaans onderzoeksteam (Karl Hoppel, Richard Bevilacqua, Douglas Allen en Gerald Nedoluha van het Naval Research Lab in Washington; Cora Randall van de Universiteit van Colorado in Boulder) kwam tot deze bevindingen op basis van metingen met het Polar Ozone and Aerosal Measurement III instrument. De metingen wezen uit dat er in de stratosfeer een exceptioneel sterke menging met van elders aangevoerde lucht plaatsvond. Omdat die lucht een relatief grote hoeveelheid ozon bevatte, leidde dat tot een opmerkelijke toename van het ozongehalte in zowel het lagere als het middelste deel van de stratosfeer, juist op het tijdstip van het jaar waarop de omvang van het ozongat gewoonlijk maximaal is.


OZONGAT ZUIDPOOL

In de stratosfeer boven de noordpool komen - in tegenstelling tot in de stratosfeer boven de zuidpool - gewoonlijk weinig golfachtige luchtbewegingen voor. Daardoor blijft er altijd een sterke, koude vortex nabij de zuidpool in de atmosfeer bestaan. De in die luchtkolom aanwezige lucht wordt slechts minimaal gemengd met lucht uit de omgeving, en omzetting van ozon leidt dan ook direct tot een lager ozongehalte ter plaatse (het ozongat). Bij de noordpool zijn er veel meer luchtbewegingen, is er niet zoín stabiele vortex, en treedt dus minder menging van lucht op. Dat verklaart waarom er geen vergelijkbaar 'ozongat' boven de noordpool bestaat.

De aanvoer van ozon tot boven Antarctica vond in september 2002 plaats met lucht die van buiten de polaire vortex werd aangevoerd naar het gebied waar de metingen werden verricht. In dat gebied werd op de hoogte waar normaliter ozon verloren gaat vanwege reacties waarbij chloor als katalysator optreedt (dat wil zeggen de hoogte waar de potentiŽle temperatuur lager is dan 600 K) gemeten dat het ozongehalte met dezelfde snelheid afnam als in vroegere jaren, tot de tijd waarop een sterke opwarming plaatsvond. Vanaf dat moment vonden nauwelijks nettoverliezen van ozon meer plaats; het gevolg was dat gedurende de winter van 2002 in vergelijking met voorafgaande winters zoín 20% minder ozon verloren.

Het is nog niet duidelijk of er sprake is van een uitzonderlijke situatie of van een nieuwe ontwikkeling. Dat kan pas dit jaar worden vastgesteld, waarbij de karakteristieken van de polaire vortex doorslaggevend zijn. Het normale patroon van een vortex waarin nauwelijks menging van lucht uit de omgeving plaatsvindt, werd in 2002 doorbroken door de duidelijke opwarming. Daardoor werd de vortex minder sterk en kon menging met ozonhoudende andere lucht optreden. Het ging bij de waargenomen mindere ontwikkeling van het jaarlijkse ozongat boven de zuidpool in 2002 daarom om extra aanvoer, niet om minder verlies van ozon dan vroeger.

Referenties:
  • Hoppel, K., Bevilacqua, R., Allen, D. & Nedoluha, G., 2003. POAM III observations of the anomalous Antarctic ozone hole. Geophysical Research Letters 30 (7), p. 47-1 - 47-4 (doi: 10.1029/2003GL0116899).

N.B.: een iets afwijkende vorm van dit bericht werd geplaatst in de bijlage 'Wetenschap en Onderwijs' van NRC Handelsblad (3 mei 2003).

Afbeelding met toestemming uit KNMI-voorlichting


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl