NGV-Geonieuws 46 artikel 338

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juni 2003, jaargang 5 nr. 11 artikel 338

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 46! Op de huidige pagina is alleen artikel 338 te lezen.

<< Vorig artikel: 337 | Volgend artikel: 339 >>

338 Geen fossielen nodig voor fossiel DNA
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Reconstructie van vroegere ecosystemen op basis van de daarin toen levende planten- en diersoorten vereiste tot nu toe fossielen. Onder specifieke omstandigheden blijkt dat niet nodig: ook op basis van DNA dat via uitwerpselen of urine van dieren in de bodem is terecht gekomen kan soms de vroegere fauna worden gereconstrueerd; DNA uit chloroplasten dat in de bodem bewaard is gebleven kan helpen om de vroegere flora te reconstrueren. Dat blijkt uit een opzienbarend onderzoek dat door een team van Deense, Engelse en Russische onderzoekers werd uitgevoerd in de toendraís van SiberiŽ, op plaatsen waar een permafrost (permanent bevroren bodem) aanwezig is, en in grotten in Nieuw-Zeeland, waar in de bodemsedimenten soortgelijke vondsten werden gedaan.

De vondst kan een revolutie betekenen voor onderzoeken van vroegere leefgemeenschappen (en daarmee ook van het vroegere klimaat). Het lijkt nu bijvoorbeeld mogelijk om op basis van dit soort gegevens meer te weten te komen over de routes die de vroege hominiden maakten bij hun 'verovering' van de wereld. Het lijkt ook mogelijk behoorlijk ver terug in de tijd te gaan, want de onderzochte sedimenten uit SiberiŽ bevatten volgens de onderzoekers het oudste DNA op basis waarvan betrouwbare conclusies zijn te trekken. Het gaat daarbij om het DNA van planten tot die maximaal 400.000 jaar geleden groeiden en om DNA van dieren die maximaal zoín 30.000 jaar geleden leefden.

Het blijkt goed mogelijk om op basis van het uit de bodem geÔsoleerde DNA vroegere soorten te herkennen. Zo konden de onderzoekers voor SiberiŽ 19 groepen angiospermen (bedektzadigen), gymnospermen (naaktzadigen) en mossen herkennen, evenals acht soorten dieren; deze laatste omvatten zowel nu levende bewoners zoals lemmingen al uitgestorven soorten zoals mammoeten en steppebizons. In de grotsedimenten van Nieuw-Zeeland troffen de onderzoekers DNA aan van de uitgestorven moa (een grote loopvogel) en van een plantengemeenschap die grote gelijkenis vertoont met die van voor de kolonisatie van Nieuw-Zeeland door mensen (omstreeks 1000 jaar geleden).

Het blijkt ook mogelijk om op basis van de vondsten ontwikkelingen te reconstrueren. Zo blijkt SiberiŽ tot zoín 11.000 jaar geleden een betrekkelijk weelderige steppevegetatie te hebben gehad; dat blijkt uit DNA van grassen in 36% van de monsters. Dat percentage neemt vervolgens af tot ca. 3%. Die geconstateerde vegetatieverandering komt overeen met eerdere opvattingen dat een veranderde vegetatie onder invloed van een klimaatverandering heeft bijgedragen aan het verdwijnen van veel grote zoogdieren zoals de mammoet. Overigens is al opgemerkt dat met dergelijke conclusies zorgvuldig moet worden omgesprongen: DNA uit uitwerpselen en urine kan, net als plantaardige resten, door binnendringend regenwater omlaag worden gespoeld, waardoor het nu in oudere lagen wordt aangetroffen dan waarin het oorspronkelijk thuishoort.

Referenties:
  • Stokstad, E., 2003. Ancient DNA pulled from soil. Science 300, p. 407.
  • Willerslev, E., hansen, A.J., Binladen, J., Brand, T.B., Gilbert, M.Th.P., Shapiro, B., Bunce, M., Wiuf, C., Gilichinsky, D.A. & Cooper, A., 2000. Diverse plant and animal genetic records from Holocene and Pleistocene sediments. Science 300, p. 791-795.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl