NGV-Geonieuws 47 artikel 340

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


15 Juni 2003, jaargang 5 nr. 12 artikel 340

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 47! Op de huidige pagina is alleen artikel 340 te lezen.

<< Vorig artikel: 339 | Volgend artikel: 341 >>

340 Mayacultuur verviel door drie periodes van droogte
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Archeologie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

De Mayacultuur verdween ruim 1000 jaar geleden vrij plotseling. Algemeen wordt aangenomen dat klimaatverandering daarbij een rol speelde, want op diverse plaatsen werden relatief grote plaatsen verlaten zonder dat er herkenbare sporen van een binnenvallende vijand zijn aangetroffen. Op basis van pollen (stuifmeel) is eerder al aannemelijk geworden dat er veranderingen in vegetatie zijn opgetreden die wijzen op verdroging van het leefgebied van de Maya’s.

Nieuw onderzoek wijst uit dat er inderdaad verdroging is opgetreden, en wel door afnemende regenval gedurende een periode van ruim honderd jaar, waarbij drie fasen optraden waarbij het gedurende enkele jaren achtereen uitzonderlijk droog was. Die drie fasen lagen omstreeks 810, 860 en 910 na het begin van onze jaartelling. Met deze uitkomst is een in de tijd veel nauwkeuriger beeld verkregen over het verdwijnen van deze uitzonderlijke beschaving.

Deze nauwkeurige reconstructie van de klimaatveranderingen werd uitgevoerd door een team aardwetenschappers dat daartoe een nauwelijks eerder toegepaste methode toepaste. Ze deden daartoe geochemisch onderzoek van afzettingen voor de kust van Venezuela (in het vrijwel zuurstofloze Cariaco-Bekken), die bestaan uit fijn gelamineerde sedimenten die jaargelaagdheid weerspiegelen. Die laagjes werden gedurende een jaar regelmatig opgebouwd, waardoor het voor de onderzoekers mogelijk was om ook binnen een jaar verschillende momenten van afzetting te bepalen; ze konden dat doen met een mate van nauwkeurigheid waardoor ze in feite de geochemische ontwikkeling konden vaststellen per periode van twee maanden (dikte van zo’n interval gemiddeld ca. 50 micron). Ze deden dat voor de periode van 700-950 n.Chr., welke periode bekend staat als het laatste deel van de klassieke Mamabeschaving; op het Yucatan schiereiland is archeologisch goed vastgesteld hoe daar toen de cultuur tot een eind kwam. In het onderzochte gebied konden de laagjes uit de boorkernen (die waren verkregen in het kader van het Ocean Drilling Program) goed gedateerd worden door het aanwezige organische materiaal. Daardoor was het ook mogelijk vast te stellen dat de sedimentatie ter plaatse geologisch gezien zeer snel had plaatsgevonden (ongeveer 30 cm per 1000 jaar).

De onderzoekers bepaalden het gehalte aan titanium (Ti) in deze sedimenten, omdat die een weerslag vormen van de aanvoer van materiaal uit het stroomgebied, en daarmee van de hoeveelheid rivierwater, en daarmee weer van de regenval in het achterland: veel regen geeft meer transport door de rivier, wat zich uit in dikkere jaarlaagjes. Op deze wijze bepaalden de onderzoekers de relatieve hoeveelheid neerslag per twee maanden (gemiddeld), wat het bovenvermelde resultaat opleverde. De periode van 550-750 was relatief nat, en uit archeologische vondsten is bekend dat de Maya-bevolking sterk aangroeide, waarschijnlijk tot een omvang die nog net te handhaven was (wart betreft voedselvoorziening, etc.) bij de toen heersende omstandigheden. Omdat er nauwelijks meer rek zat in de mogelijkheden om meer voedsel te verbouwen, was de bevolking dus ook zeer kwetsbaar voor perioden waarin de regenval afnam, en er dus minder voedsel beschikbaar kwam.

Referenties:
  • Haug, G.H., Günther, D., Peterson, L.C., Sigman, D.M., Hughen, K.A. & Aeschlimann, B., 2003. Climate and the collapse of Maya civilisation. Science 299, p. 1731-1735.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl