NGV-Geonieuws 48 artikel 349

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juli 2003, jaargang 5 nr. 13 artikel 349

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 48! Op de huidige pagina is alleen artikel 349 te lezen.

<< Vorig artikel: 348 | Volgend artikel: 350 >>

349 Tropen kenden al in Eoceen zeer gevarieerde flora
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Een schitterend gefossiliseerde flora uit Eocene afzettingen nabij Laguna del Hunco (Patogonië, Argentinië) werpt een nieuw licht op de reeds lang bediscussieerde grote variatie in de flora van de huidige tropische regenwouden. Die flora is vooral in Zuid-Amerika zeer soortenrijk, en de vraag is wanneer die grote diversiteit tot stand is gekomen. De meeste deskundigen menen dat dat geologisch gezien kort geleden is gebeurd, in het Laat-Neogeen of zelfs in het Pleistoceen (onder invloed van klimaatfluctuaties).

De nieuwe vondst doet daaraan grote twijfel rijzen. De aangetroffen fossiele flora, die bestaat uit de bladeren van 102 soorten, is namelijk gevonden in een pakket (Tufolitas Laguna del Hunco) dat bestaat uit verspoelde vulkanische as in een kratermeer, en die as is radiometrisch gedateerd als laat-Paleoceen tot middel-Eoceen; de positie van de fossielen in dat pakket maakt, met een kleine marge, mogelijk om hun ouderdom vast te stellen op 52 miljoen jaar. Dat valt precies binnen het ongeveer 2 miljoen jaar durende interval (het vroeg-Eocene klimaatoptimum) waarin de temperatuur relatief hoog was.

De datering van de planten als vroeg-Eoceen betekent dat er toen dus al sprake moet zijn geweest van een rijk geschakeerde flora. Daarbij moet uiteraard in aanmerking worden genomen dat van de destijds levende plantensoorten slechts een beperkt aantal bladeren heeft gehad, en dat van die bladeren slechts een beperkt aantal soorten is gefossiliseerd. De rijke geschakeerdheid van de flora moet dus al lang een feit zijn geweest voordat het klimaat, onder invloed van de naderende ijstijden, begon te fluctueren. Dat is overigens in overeenstemming met recent onderzoek van het DNA van een groot aantal soorten uit de tropische regenwouden. Ook dat onderzoek wijst er namelijk op dat de uitbreiding van het aantal soorten reeds ruim voor het Pleistoceen begon. Zo zijn er zelfs hypotheses dat vooral de Andes (die in het Tertiair werd gevormd, maar waarvan de belangrijkste fase van opheffing dateert van na het vroeg-Eoceen) door de ontstane hoogteverschillen en onneembare barrières als een soort motor voor het ontstaan van nieuwe soorten fungeerde, en dat het tropisch regenwoud als het ware een aantal musea vormt waarin veel van die soorten, ook bij klimatologisch ongunstiger omstandigheden, konden overleven. In dit kader is het interessant dat de deskundigen momenteel tegenstrijdige opvattingen vertonen wat betreft het bestaan, gedurende het Pleistoceen met zijn - in de tropen - afwisseling van regenrijke en droge perioden, van een soort schuilplaatsen die ook in droge perioden voldoende vochtig bleven om de bestaande plantensoorten te laten overleven.

Het is dus heel waarschijnlijk dat er in het Tertiair op grote schaal in de tropen rijk geschakeerde flora’s voorkwamen. Dat daarvan niet eerder fossiele bewijzen zijn gevonden, hangt waarschijnlijk samen met de omstandigheden in tropische regenwouden: vocht en warmte zorgen voor spoedig vergaan van afgestorven planten. De uitzonderlijke omstandigheden bij Laguna del Hunco, waar bladeren niet vergingen door de snelle bedekking met vulkanisch materiaal in een kratermeer, zijn de reden dat nu wel inzicht bestaat in de plantendiversiteit van het vroeg-Eoceen.

Referenties:
  • Knapp, S. & Mallet, J., 2003. Refuting refugia? Science 300, p. 71-72.
  • Wilf, P., Cúneo, N.R., Johnson, K.R., Hicks, J.F., Wing, S.L. & Obradovich, J.D., 2003. High plant diversity in Eocene South America: evidence from Patagonia. Science 300, p. 122-125.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl